Een andere
belangrijke bevestiging voor de autoriteit van ons Nieuwe Testament is
de grote hoeveelheid citaten die we in brieven en andere geschriften
van de leiders van de vroege kerk kunnen vinden.[1]
Tijden zijn onderzoek vond Dean Burgon meer dan 86.000 citaten uit
deze onafzienbare hoeveelheid informatie.[2]
Harold J. Greenlee wijst
erop dat “Deze citaten zijn zo
onafzienbaar dat het Nieuwe Testament hieruit virtueel, zonder het
gebruik van enig ander New Testament geschrift, kan worden
samengesteld.”[3] Ondanks deze grote
hoeveelheid citaten moeten de brieven van de vroege kerk met
voorzichtigheid worden benaderd. De leiders van de vroege kerk hadden
over het algemeen geen toegang tot veel geschreven materiaal van het
Nieuwe Testament. Als gevolg daarvan werd vaak nogal vrij geciteerd (sommige
schrijvers waren wel heel accuraat), alhoewel de intentie en boodschap
van de originele tekst correct werd gereproduceerd. Daarnaast waren
sommige schrijvers geneigd om fouten te maken of zelfs soms
opzettelijke veranderingen aan te brengen. Daarom is de integriteit
van de citaten niet voldoende om gebruikt te kunnen worden voor een
accurate analyse voor de tekstuele varianten van het Nieuwe Testament. De correspondentie
van de vroege kerk is echter van groot belang voor twee andere redenen: Vroege
datering van het Nieuwe Testament:
De citaten uit Nieuwe Testament teksten – en met name de evangeliën
en de epistels van Paulus – uit brieven die gedateerd zijn in het
vroege begin van de tweede eeuw, of zelfs tegen het einde van de
eerste eeuw, bevestigen dat deze originele teksten in de vroege tweede
helft van de eerste eeuw, gedurende de eerste generatie na de dood van
Christus, geschreven zijn. Vroege
acceptatie als Heilige Schrift:
Citaten van kerkleiders uit de evangeliën en epistels van zo’n
vroege datum geeft getuigenis van de wijdverspreide erkenning dat deze
teksten behoorden tot een informeel geaccepteerd Nieuw Testament
Canon. Een overzicht van de
brieven van de vroege kerk
Onderstaand is een
overzicht van de meest belangrijke brieven van de vroege kerkleiders
uit wat vaak de Tijd van de
Apostolische Vaders (70-150
AD) en Vroege Kerkvaders (150-300 AD) wordt genoemd inclusief wat
achtergrondinformatie over de schrijvers (zie ook tabel 11-1):[4] Clemens
van Rome’s epistel aan de kerk in Korinte (ca. 95-97 AD): Clements
(ca. 30-100 AD) kwam waarschijnlijk uit Rome en had een niet-Joodse
achtergrond. Als een discipel van Paul, was hij waarschijnlijk met
Paul in Filippenzen (57 AD – hij is met name genoemd in Fillippenzen
4:2) en later in Rome. Clement, een
bisschop (ouderling) in
Rome, schreef aan de kerk in Korinte (zoals Paul dat voor hem had
gedaan), en dit zijn zeer wel mogelijk de vroegste Christelijke
brieven naast het Nieuwe Testament. Clement citeerde het Oude
Testament uitgebreid als de Heilige Schrift, ook refereerde hij naar
de woorden van Jezus zoals die te vinden zijn in de boeken van
Matthëus, Markus en Lucas. Hij citeerde uit het boek van Romeinen, 1
Korinthiërs, en Hebreeën. Zijn brieven geven ook belangrijk bewijs
voor de lijdensweg van de apostelen Petrus en Paulus en suggereren een
missie van Paul naar de “westelijke grenzen” (Spanje?). De
zeven brieven van Ignatius (martelaarsdood gestorven in ca. 107 AD) Ignatius van Antiochië schreef zeven brieven terwijl hij onder gewapende
escorte onderweg naar Rome was waar hem de martelaarsdood wachtte
(ca.107 AD). Hij schreef aan de kerken in de plaatsen die hij
passeerde: Philadelphia en Smyrna en aan kerken die hem afgevaardigden
stuurde om hem op zijn laatste reis te bezoeken: Efeze, Tralles en
Magnesia. Hij stuurde een brief vooruit naar de kerk in Rome om hun
tussenkomst met de autoriteiten (om zijn executie te verhinderen), te
voorkomen. Tenslotte schreef hij ook aan Polycarpus, de bisschop van
Smyrna. Zijn referenties naar het Nieuwe Testament waren of losse
citaten die hij zich wist te herinneren of waren zinspelingen, maar
kwamen uit de boeken van Matthëus, Lucas en Johannes als ook Romeinen,
1 Korinthiërs, Galaten, Efeziërs, Filippenzen, Kolossenzen en 1
Tessalonicenzen. Sommigen claimen ook referenties/zinspelingen aan
andere brieven van Paulus, Hebreeën, Jacobus en 1 Petrus.
Tabel
11-
2
Vroege bevestigingen van
het Nieuwe Testament De
brief van Polycarpus aan de Filippenzen (ca. 115 AD): Geboren
in een Christelijke familie, Polycarpus van Smyrna (ca. 70-156 AD) was
waarschijnlijk een discipel van de apostel Johannes. Het verhaal over
zijn dood, zoals dat is omschreven in een brief van de kerk uit Smyrna
aan de kerk van Fillipi, is het eerste verhaal van een martelaarschap
in de brieven van de vroege kerk. Zijn brief aan de Filippenzen is
bewaard gebleven en toont sterke apostolische invloeden. Hij citeert
talrijke keren uit de boeken van Matthëus, Markus, Handelingen,
Romeinen, 1 en 2 Korinthiërs, Galaten, Efeziërs, Filippenzen, 1 en 2
Timothëus, 1 Petrus (10 keer) en 2 Johannes. De
brief van Barnabas (ca. 100 AD):
De schrijver van dit epistel was waarschijnlijk een Alexandriaanse
Jood uit de tijd van Trajan en Hadrian. Zijn naam is misschien
Barnabas geweest, maar hij was naar alle waarschijnlijkheid niet
dezelfde Barnabas die we kennen uit het boek van Handelingen. Wie het
ook heeft geschreven, het is in het algemeen gedateerd aan het einde
van de eerste eeuw. Norman Geisler dateert deze brief zelfs rond 70-79
AD.[5]
Het heeft diverse citaten van Matthëus en bevat diverse losse
aanhalingen uit de boeken van Johannes, Romeinen en 2 Petrus. De
Pastor van Hermas (ca. 115-140): Deze
tekst was door een zekere Hermas uit Rome geschreven in de periode 140
en 150 AD. “Vrije” citaten vanuit het geheugen en zinspelingen op
het Nieuwe Testament zijn in dit schrijven duidelijker aanwezig dan in
vroegere werken. Alle drie de delen van de Pastor
citeren het Nieuwe Testament, inclusief Matthëus en Marcus en ook
epistels zoals 1 Korinthiërs, Hebreeën, Jacobus, 1 Petrus en 1
Johannes. De
Didache (ca. 100-150 AD): De
Didache, of
Het onderwijs van de twaalf apostels, is pas in 1873 ontdekt en is
10 jaar later gepubliceerd.[6]
Er is geen datum bekend, maar interne analyse suggereert de eerste
helft van de tweede eeuw. De Didache werd alom in de vroege kerk
gebruikt als een handboek. Het patroon van losse citaten en
zinspelingen is gelijk aan dat van de Pastor.
Talrijke referenties naar de boeken van Matthëus, Marcus en Lucas
demonstreren het wijdverspreide gebruik van de evangeliën tegen het
midden van de tweede eeuw. Andere citaten bevatten de boeken Romeinen,
1 Korinthiërs, Hebreeën, 1 Johannes en Judas. Papias
(ca. 60-130 AD): De
informatie betreffende Papias van Hierapolis en zijn werk is geleverd
door Eusebius van Caesarea en Irenaeus van Lyon. Volgens Irenaeus, had
Papias de apostel Johannes horen preken en was hij bekend met
Polycarpus. Eusebius vermeldde zijn Uitleg
van de gezegden van de Heere. Papias beweerde dat Marcus de
evangelist nooit echt Jezus had gehoord, maar dat hij een tolk van
Petrus was geweest.Hij gaf een nauwkeurig verslag van alles wat hij
zich van de preek van Petrus kon herinneren. Papias bevestigde ook dat
Matthëus de gezegden van Jezus in het Hebreeuws schreef. Irenaeus
begreep hieruit dat dit refereerde aan Hebreeuwse gebruiken in
het Matthëus evangelie, ofschoon Origenes dacht dat dit betekende dat
Matthëus het evangelie oorspronkelijk in het Hebreeuws had geschreven.
Het belang van Papias als een vroege getuige voor het bestaan en het
auteurschap van zowel het boek van Matthëus als van Marcus mag niet
worden onderschat. Traditioneel zijn Papias brieven tussen 120-130 AD
gedateerd, alhoewel er een overtuigende claim is dat de datum zelfs
voor 110 AD is geweest![7] Justinus
de Martelaar (ca.100 – martelaarsdood gestorven in 165 AD): Justinus,
alhoewel van Griekse afkomst, werd in Palestina dicht bij de moderne
stad van Nablus in Samaria geboren. Gedurende een periode onderwees
hij Christelijke filosofie in Efese vanwaar hij in 135 AD vertrok en
naar Rome ging. Hier onderwees en schreef hij totdat hij tijdens het
bewind van Marcus Aurelius de martelaarsdood onderging. Justinus was
een van de eerste apologeten (geloofsverdedigers). Slechts twee van
zijn drie verhandelingen zijn bewaard gebleven: zijn eerste Apologia
(het tweede is misschien niet authentiek) en zijn Dialogus cum Tryphone (Dialoog met Tryphone). Samen met zo’n 266
zinsneden zijn er meer dan 330 citaten van het Nieuwe Testament in
zijn werk aangetroffen. Andere grote namen
uit de vroege kerk zijn Clemens van Alexandrië (ca. 150-215),
Tertullianus (ca.160-220), Hippolytus
(ca. 170-236), Origines (ca. 185-254) en Cyprianus (ca. 195-258). Een
groot aantal van hun geschriften zijn bewaard gebleven en duizenden
citaten van het Nieuwe Testament kunnen hierin worden herkend. Meer
dan 36.000 citaten[8]
van het Nieuwe Testament zijn in geschriften gevonden voordat het Concilie
van Nicea in 325 AD plaatsvond. Het bovenstaande
bevestigd dat het Nieuwe Testament al voor 95-100 AD beschikbaar was,
dus 65-70 jaar na de opstanding van Christus. Deze brieven helpen ook
met het vaststellen van de absoluut oudste data waarop deze documenten
zijn geschreven. We zullen de datering van de evangeliën in een later
hoofdstuk bespreken, op dit moment gebruiken we de brieven om vast te
stellen dat op zijn minst 20 van de 27 boeken van het Nieuwe Testament
(behalve Titus, Filemon, 2 Petrus, 1 en 2 Johannes, Judas en
Openbaring) wijd en zijd circuleerden in de vroege kerken rond het
jaar 100 AD
Tijdslijn van het Nieuwe Testament Lees meer over: (3) Bewijsstuk #9:Credo's in the Nieuwe Testament [1]
De eerste generatie na de apostelen, dus die leefden in het eerste
deel van de tweede eeuw, worden ook wel de Apostolische
Vaders genoemd. Latere generaties van leiders in de kerk worden
ook wel de kerkvaders genoemd. Vanwege het wat geladen begrip “vader” zal
dit boek de verwijzing “vroege kerk leiders” gebruiken. [2]
McDowell
, Josh; Stewart, Don Douglas: Answers
to Tough Questions. [3] Harold J Greenlee , Introduction to New Testament Textual Criticism (1977), pagina 54. [4] Van J.D. Douglas, Philip Wesley Comfort, Donald Mitchell: Who's Who in Christian History (1992), Norman L. Geisler , William E. Nix , A General Introduction to the Bible. (1986) pages 421-430, The Ante-Nicene Fathers Volume I through X: Translations of the Writings of the Fathers Down to AD 325 (1997) en andere eerder genoemde bronnen. [5] Norman L. Geisler , William E. Nix : A General Introduction to the Bible (1986), pagina 421. [6] Fahlbusch, Erwin; Bromiley, Geoffrey William: The Encyclopedia of Christianity (2003), Volume 1, pagina 112. [7] Richard Bauckman, Jesus and the Eyewitnesses (2006), pagina’s 12-15. [8] Josh McDowell in New Evidence that Demands a Verdict, (1999), pagina’s 44-45.
|
||||||||||||||||||||||||||||
| Windmill
Ministries - Christelijke Apologetiek - Geloofsverdediging voor het Christendom Home - Sitemap - Over Ons - Steun Ons - Neem Contact Op - Copyright - Boeken - DVDs |