De officiële
vorming en acceptatie van het huidige Nieuwe Testament kwam langzaam
tot stand. In de eerste jaren werd het “goede nieuws” over het
Christendom mondeling doorgegeven. Predikanten, waarvan velen Jezus
hadden gezien en hadden horen onderwijzen, deelde deze levendige
herinneringen met anderen en proclameerde het bericht van Zijn dood,
begrafenis en opstanding. In het voorbij
gaan van de jaren echter, terwijl de kerk zich uitbreidde vaar
Klein-Azie en Italië, werd de behoefte aan geschreven aantekeningen
over Jezus en de apostelen steeds belangrijker. Als een ouder wordende
apostel bijvoorbeeld drong Petrus bij zijn lezers erop aan om met name
te vertrouwen op datgene wat hij had geschreven (2 Petrus 1).
Uiteindelijk zouden deze geschriften dezelfde status als het
Hebreeuwse Oude Testament krijgen. Er bestaat geen
twijfel over dat de vroegst geaccepteerde geschriften in het prille
Nieuwe Testament canon de brieven waren die Paulus had geschreven rond
en net na het jaar 50 AD. Al snel kwamen de evangeliën, de
herinneringen van de apostelen, ook beschikbaar. Dankzij de brieven
van de leiders van de vroege kerk weten we dat rond 100 AD alle boeken
van wat we nu het Nieuwe Testament noemen (behalve een paar brieven en
het boek van Openbaring) impliciet geaccepteerd waren als onderdeel
van de canon. De vroegst bekende
poging om een officiële lijst te maken is uit 140 AD (nu bekend als Marcion’s
canon). Deze lijst van Marcion bevatte slechts 10 van Paulus zijn
brieven en het evangelie van Lucas. Marcion was een gnostische ketter[1]
(hij geloofde dat de God van het Oude Testament niet de God van het
Nieuwe Testament was en hij wees het menselijk zijn van Jezus af). Hij
had een sterke afkeer tegen de Joodse aspecten in de evangeliën. Zijn
lijst werd al snel als ketterij door de leiders van de vroege kerk
gezien, maar het spoorde de noodzaak tot een formele canon aan. Dat conflict in de
tweede eeuw was, volgens bijbelgeleerden, de aanleiding voor de kerk
op het vaststellen van authentieke apostolische verwantschap als het
hoofdbepalende criterium voor canonieke status. Een boek moest of
geschreven zijn door een apostel/discipel van Jezus (Matthëus,
Johannes, Petrus, Paulus) of door iemand nauw betrokken bij een
apostel/discipel (Lucas door zijn verbondenheid met Paulus, Petrus en
anderen, Marcus als de “stem” van Petrus, Jakobus en Judas als de
broers van Jezus). Als gevolg daarvan werden sommige geschriften van
de tweede en derde generatie Christenen uitgesloten (waaronder de
brieven van de leiders van de vroege kerk die we eerder bespraken). In het jaar 397 AD
(tijdens het Concilie van
Carthago) werd tenslotte een lijst samengesteld die wijde
acceptatie vond. Er was weinig onenigheid, behalve over de boeken van
Jakobus, Judas (allebei broers van Jezus, maar waarvan bekend was dat
ze geen discipels waren gedurende Zijn leven), 2 Petrus, 2 en 3
Johannes en Openbaring. Deze boeken werden later geaccepteerd en
bijgesloten in het Nieuwe Testament. Gebaseerd op zijn
onderzoek over de manuscript bewijzen voor het Nieuwe Testament
schreef de grote klassieke bijbelgeleerde Sir Frederic Kenyon: “De tijd tussen de datum
van de originele samenstelling en het eerste voorhanden zijnde bewijs
is zo klein dat het in feite te verwaarlozen is en de laatste fundatie
voor enige twijfel dat de Heilige Schrift aan ons is doorgegeven
substantieel zoals ze zijn geschreven is nu verwijderd. Zowel de
authenticiteit als de algemene integriteit van de boeken van het
Nieuwe Testament mag eindelijk als vastgesteld aangenomen worden.”[2]
Tijdslijn van het Nieuwe Testament Lees meer over: 4. Verloren boeken v/h Nieuwe Testament
[1]
Zie hoofdstuk 13 voor een verdere bespreking van het
gnosticisme. [2] Sir Frederic Kenyon , The Bible and Archaeology, pagina 288. .
|
| Windmill
Ministries - Christelijke Apologetiek - Geloofsverdediging voor het Christendom Home - Sitemap - Over Ons - Steun Ons - Neem Contact Op - Copyright - Boeken - DVDs |