De eerste drie
evangeliën zijn Matthëus, Marcus en Lucas. Er is geen diepgaande
studie voor nodig om op te
merken dat deze drie documenten veel informatie gemeen hebben (figuur
12-1 laat deze relaties zien). Traditioneel wordt er daarom naar
verwezen als de synoptische evangeliën, omdat ze zich verlenen voor een synoptisch
(overzichtelijk) arrangement: een vorm waarin ze tezamen kunnen worden
bestudeerd.[1] De meeste inhoud
van 606 van de 661 verzen (ongeveer 90%) uit het boek van Marcus komt
ook voor in Matthëus. Dat betekent dat van de 1068 verzen die Matthëus
bevat er ongeveer 500 verzen (bijna de helft) zijn die informatie
bevatten wat ook in Marcus kan worden gevonden. Hetzelfde geldt voor
Lucas: 350 verzen uit Marcus verschijnen in bijna dezelfde woorden in
het Lucas evangelie. Daarom
zijn van de 1149 verzen die gevonden worden in Lucas, 350 parallel
verzen (ongeveer 30%) met Marcus. Slecht 31 verzen in Marcus zijn
uniek voor dit evangelie. Dit heeft geleidt tot het wijd geaccepteerde
idee dat Marcus het eerst geschreven evangelie moet zijn geweest en
dat zowel Lucas als Matthëus een gehele of een gedeeltelijke kopie
van Marcus ter beschikking hadden tijdens het schrijven van hun eigen
evangelie.
Het synoptisch probleem - de synoptische evangelien Als we Lucas
vergelijken met Matthëus (exclusief de verzen die overeenkomen met
Marcus), dan zien we dat deze twee ongeveer 250 verzen met
gemeenschappelijk materiaal hebben wat niet in Marcus wordt gevonden.
Dit geeft ons ongeveer 300 verzen die uniek voor het boek van Matthëus
zijn en rond de 550 die uniek zijn voor het boek van Lucas. Deze
gelijkenis heeft tot de populaire theorie geleid dat Lucas en Matthëus
een gezamenlijke bron hadden die voor beiden beschikbaar was. Dit
document (of persoon of zelfs personen) wordt “Q” (of “Quelle,
Duits voor “bron of herkomst”) genoemd. Het is van grote
betekenis om op te merken dat zowel Matthëus als Lucas in de verzen
die ze delen met Marcus en/of Q hun
eigen schrijfstijl gebruiken. Elk van hen richt zich op een
verschillende groep lezers en elk heeft details die duidelijk op een
persoonlijke ervaring en/of andere ooggetuigen wijzen! Ja, er is heel
veel gezamenlijk materiaal, maar elk evangelie schijnt verschillend
materiaal toe te voegen. Zelfs
Marcus, waarvan men aanneemt dat dit het eerste evangelie was, heeft
in een aantal verzen meer gedetailleerde omschrijvingen dan Lucas en
Matthëus. De puzzel is veel gecompliceerder dan men in eerste
instantie zou verwachten. Het auteurschap van
het evangelie van Matthëus
Dit evangelie
lijkt de zwakste aanspraak te maken op de naam die met het boek wordt
geassocieerd. Vele aanknopingspunten wijzen naar de apostel Matthëus,
maar er zijn elkaar tegensprekende observaties. Om de conclusie te
trekken dat Matthëus de schrijver is, blijft daarom enigszins
speculatief; het is zoals sommigen zouden zeggen, een weloverwogen
inschatting. Laten we eens kijken naar wat we weten: Externe
bewijzen:
Interne bewijzen:
Argumenten
tegen het boek van Matthëus: ·
Als de
ooggetuige Matthëus de schrijver geweest zou zijn dan, zo beweren
critici, zou hij aan het Evangelie van Marcus (als bron) geen behoefte
hebben gehad. Marcus was echter niet zijn enige bron, maar slechts een
van de velen. Omdat Marcus (zoals we later kunnen zien[5])
hoogstwaarschijnlijk “Petrus zijn vertolker” was, is het eigenlijk
best logisch voor Matthëus om gebruik te maken van Marcus/Petrus zijn
teksten als een belangrijke bron van informatie. Zeker omdat Petrus (samen
met Johannes en Jakobus) een van de drie apostelen was die het nauwst
bij Jezus betrokken waren. Hij had immers het privilege van speciale
privé bijeenkomsten met Jezus gehad en was getuige van unieke
gebeurtenissen geweest. ·
De
bovengenoemde referenties van Papias en Irenaeus wekken de indruk dat
dit evangelie eerst in het Hebreeuws, en zelfs waarschijnlijker, in
het Aramees was geschreven. Dit heeft tot de speculatie geleid dat
Matthëus oorspronkelijk een versie in het Aramees heeft geschreven
wat later door een Griekse schrijver is afgemaakt. Zoals de
welgerespecteerde bijbelgeleerde Craig L. Blomberg over het
auteurschap van Mattheus concludeerde:[6] “Deze auteur, op zijn
minst van het originele concept van dit boek (of een van haar
belangrijke bronnen), is naar alle waarschijnlijkheid de bekeerde
tollenaar, ook wel Levi genoemd, die een van Jezus zijn twaalf
discipelen werd. Nogmaals: we presenteren deze conclusie met
voorzichtigheid. Weinig hangt hiervan af.
Noch inspiratie, noch apostolische autoriteit is afhankelijk
van apostolische auteurschap (zoals bijvoorbeeld ook het geval bij
Marcus en Lucas) en de kerk was in staat om accurate informatie
onafhankelijk van de apostolische kringen te bewaren.” Het auteurschap van
het evangelie van Marcus
Ook dit evangelie
is anoniem, maar we hebben enige solide observaties:
Interne bewijzen:
Het gebrek aan
alternatieve kandidaten heeft veel bijbelgeleerden ertoe geleid om
Marcus als schrijver te accepteren. Andere geleerden beweren dat
Marcus waarschijnlijk de schrijver is; maar dat technisch gezien het
evangelie anoniem behoort te blijven. De auteur van het
evangelie van Lucas en Handelingen
Het boek van
Handelingen begint met “Het
eerste boek heb ik gemaakt, o Theofilus, van al hetgeen Jezus begonnen
heeft beide te doen en te leren; Tot op den dag, in welken Hij
opgenomen is, nadat Hij door den Heiligen Geest aan de apostelen, die
Hij uitverkoren had, bevelen had gegeven” (Handelingen
1:1-2). Dit voormalige boek, wat door de auteur is genoemd, is
duidelijk het Evangelie van Lucas wat begint met: “Nademaal
velen ter hand genomen hebben, om in orde te stellen een verhaal van
de dingen, die onder ons volkomen zekerheid hebben; Gelijk ons
overgeleverd hebben, die van den beginnen zelven aanschouwers en
dienaars des Woords geweest zijn; Zo heeft het ook mij goed gedacht,
hebbende alles van voren aan naarstiglijk onderzoek, vervolgens aan u
te schrijven, voortreffelijke Theofilus! Opdat gij moogt kennen de
zekerheid der dingen, waarvan gij onderwezen zijt”
(Lucas 1:1-4). Beide boeken zijn geadresseerd aan dezelfde
Theofilus (letterlijk: “liefhebber van God”, wat een echte persoon
geweest kan zijn of een symbolische naam voor een Christen) en dit
maakt het aannemelijk dat Handelingen een vervolg op het evangelie van
Lucas is. Het boek van Handelingen begint waar het boek van Lucas
eindigt en de stijl en het taalgebruik van beide boeken zijn zo gelijk
dat zelfs de meest kritische bijbelgeleerden het erover eens zijn dat
beide boeken door dezelfde persoon zijn geschreven. Ook is er grote
overeenstemming dat Lucas
(de niet-Joodse metgezel van Paulus, waarschijnlijk een arts, mogelijk
uit Antiochië) deze auteur is. Slechts een enkele scepticus doet een
poging om te argumenteren dat hij niet de schrijver was. Laten we eens
kijken naar wat we weten en hoe alle indicaties tot de conclusie
leiden dat Lucas en Handelingen inderdaad allebei door de “geliefde
geneesheer” zijn geschreven. Externe bewijzen:
Interne bewijzen:
Datering van de
Synoptische evangeliën
De datering van de
synoptische evangeliën (Matthëus, Marcus en Lucas) is van groot
belang. Immers, hoe groter de verstreken tijd tussen een evenement en
het registreren hiervan is, des te groter de kans op de tekst afwijkt
van de feitelijk gebeurtenis. Geschiedenis heeft aangetoond dat
verhalen die meer dan een generatie na het evenement zijn opgeschreven
zeer waarschijnlijk onderhevig geweest zijn aan het vormen van
legenden. Voorbeelden hiervan zijn de welbekende verhalen van
Koning Arthur en de ridders van de Ronde Tafel en de avonturen van
Robin Hood. De
verhalen over hun heldendaden zijn vele generaties nadat deze personen
leefden opgeschreven. Gedurende deze lange tijd, waarin de verhalen
mondeling zijn doorgegeven van generatie naar generatie, werden ze
verfraaid en nieuwe avonturen werden toegevoegd.
Hoogstwaarschijnlijk was er ooit een koning die Arthur werd
genoemd en een “rebel” die bekend was als Robin Hood, maar geen
enkele geschiedschrijver geloofd serieus dat ze de heldendaden
verrichtte die we in de verhalen vinden. Dit is hoe legendes en myths
vormen, door gedurende een aantal generaties het ‘telefoonspel’ te
spelen. Hoe dichter we de
betrouwbaarheid van de evangeliën bij de actuele evenementen kunnen
plaatsen, de zekerder we ervan kunnen zijn dat ze geschiedkundig
betrouwbaar zijn. In samenhang met dit is de uitdrukking ooggetuige
periode belangrijk. Geschiedkundigen beschouwen dit de tijdsduur
die volgt op een gebeurtenis gedurende we zeker kunnen aannemen dat
een significant aantal ooggetuigen nog steeds levend zijn en de
gebeurtenis kunnen bevestigen. Voor de eerste eeuw wordt deze periode
op 40 jaar geschat. Dit is behoorlijk conservatief omdat ook in de
dagen van Jezus mensen makkelijk 50, 60 of zelfs ouder werden. De
periode van de kruisiging (33 AD) tot aan de verwoesting van Jeruzalem
(70 AD) was redelijk vredig. Ja, de Joden werden inderdaad onderdrukt
door de Romeinse bezetters, maar er was geen overdadig geweld of massa
executies. Nauwkeurige schattingen voor de levensverwachting van een
persoon in de eerste eeuw zijn niet beschikbaar, maar we weten de
oudere leeftijd van sommige individuen. Historisch betrouwbare
informatie geeft bijvoorbeeld aan dat een van de bisschoppen (ouderling)
van de vroege kerk, Polycarpus ver in zijn tachtiger jaren was toen
hij de martelaarsdood stierf in 156 AD.[17]
Augustus Caesar (63 BC – 14 AD), de Romeinse keizer die gedurende
Jezus zijn geboorte leefde, werd 76 jaar oud terwijl zijn opvolger
Tiberius Caesar Augustus (42 BC – 37 AD) een natuurlijke dood stierf
op de leeftijd van 78. Overdadig bewijs
suggereert dat een heel groot aantal van de persoonlijke getuigen van
Jezus zijn leven en opstanding nog in leven waren gedurende de
ooggetuigenperiode van 30-70 AD. Evangelische bijbelgeleerden dateren
vaak de synoptische evangeliën in de period 55-70 AD, ongeveer 10
jaar vroeger dan hun liberale tegenhangers die 65-90 AD prefereren.
Laten we de redeneringen en argumenten hiervoor eens onderzoeken. De synoptische
theorie, die voorgaand werd beschreven, is bruikbaar voor het
vaststellen van een mogelijke data voor deze evangeliën. Dit is naar
aanleiding van twee overwegingen: Het boek van Marcus was het
eerste boek:
Omdat zowel Lucas als Matthëus, Marcus als een bron gebruikten moet
zijn evangelie het eerste evangelie zijn geweest. Derhalve, indien we
een laatst mogelijke datum voor de samenstelling van het boek van
Lucas en/of Matthëus kunnen vaststellen, kunnen we logischerwijs
concluderen dat Marcus eerder was geschreven. De boeken van Lucas en
Handelingen hebben dezelfde auteur: Omdat het boek van Handelingen een vervolg is op het boek van Lucas,
betekent dit logischerwijs dat wanneer we het boek Handelingen kunnen
dateren, we de laatst mogelijk datum voor het boek van Lucas ook
hebben vastgesteld en omdat het boek van Marcus nog eerder was
geschreven, we ook de laatst mogelijk datum voor dit evangelie hebben. Kunnen we echter
het boek van Handelingen dateren? De meningen van de diverse
bijbelgeleerden variëren van het jaar 57 AD tot en met het jaar 150
AD. Er zijn drie verschillende standpunten:[18] Handelingen
was voor het jaar 65 AD geschreven: Het
grootste gedeelte van het boek houdt zich bezig met de evangelisatie
door Petrus en Paulus en veel van de actie centreert zich op Jeruzalem
en de missionaire reizen van Paulus. Ongetwijfeld heeft Lucas een
poging gedaan om vele evenementen en historische details zo nauwkeurig
mogelijk op te schrijven. De marteldood van Stefanus (Handelingen
7:54-60) en Jacobus (broer van Johannes, Handelingen 12:1-2) zijn
vermeld en het boek eindigt met Paulus arrestatie in Rome (Handelingen
28:14-31), maar zegt niets over zijn gevangenhouding. Ook noemt het
boek niet de dood van Paulus en Petrus (in het midden van de jaren 60
AD) of over Jacobus (Jezus zijn broer in ongeveer 62 AD). Handelingen
zegt het niets over de Joodse opstand tegen Rome (in het begin van het
jaar 66 AD) en de verwoesting van Jeruzalem (70 AD). Hoe kan de
schrijver deze evenementen over het hoofd zien terwijl ze belangrijker
lijken te zijn dan menig evenement wat wel is opgeschreven? Deze
omissies geven een sterk argument voor een datum van 60-62 AD, zeker
niet later dan 65 AD voor de samenstelling van het boek van
Handelingen. Voorstanders beroepen zich ook op de primitieve theologie
van Petrus zijn toespraken, en het feit dat Lucas geen kennis van Paul
zijn epistels toont. Tenslotte is het gebruik van de titel “Zoon
des mensen”
Als naam voor Jezus, een bevestiging voor deze vroegere datum,
omdat al tegen het einde van de eerste eeuw voornamelijk de titel “Zoon
van God” (zie bij voorbeeld de namen voor Jezus in het Evangelie
van Johannes) als naam voor Jezus werd gebruikt. Handelingen
is geschreven tussen 70-90 AD, waarschijnlijk voor 80 AD: Wanneer we het Evangelie van Lucas zo vroeg als het jaar 62 AD dateren
ontstaan echter twee problemen. Ten eerste zou het Evangelie van Lucas
kennis over de val van Jeruzalem in 70 AD kunnen suggereren. Lucas
geeft drie voorspellingen over de verwoesting van de stad (19:41-44;
21:20-24; 23:28-31) weer. Critici beweren dat de nadruk die hierop
wordt gelegd suggereert dat dit al was gebeurd. Het tweede argument
tegen een vroege datum voor het boek van Lucas is de veronderstelling
dat hij het Evangelie van Marcus als een van zijn bronnen gebruikte.
Irenaeus gaf aan dat Marcus zijn gospel baseerde op de memoires van
Petrus en na het overlijden van Petrus.[19]
Deze tekst is als volgt: “…terwijl
Petrus en Paulus preekten in Rome en de fundatie voor de kerk
bouwden. Na hun vertrek, gaf Marcus, de discipel en vertolker van
Petrus, wat door Petrus werd gepreekt aan ons in geschrift door.”
Het idee is dat
Petrus en Paulus zijn geëxecuteerd tijdens de Nero vervolgingen in
het midden van de jaren 60 AD. Dit dateert Marcus na 65 AD en vandaar
Handelingen zelfs later dan dat. Lucas heeft misschien onmiddellijk
toegang tot Marcus gehad en heeft zijn evangelie vlak na Marcus
samengesteld. Het is waarschijnlijker dat er wat tijd is verlopen
tussen de twee evangeliën. Dat suggereert dan dat het Lucas evangelie
na 70 AD en Handelingen gedurende 70-80 AD moet worden gedateerd. Handelingen
is na 90 AD geschreven: Een
datum na 90 AD word niet meer serieus overwogen. Het auteurschap van
Lucas, die volgens de traditie al eerder als martelaar was gestorven,
maakt dit een onrealistisch alternatief.
Zowel Handelingen als het Lucas evangelie bewijzen toegang tot
goede bronnen te hebben – ooggetuigen waren tegen deze tijd niet
langer meer beschikbaar. Tenslotte, Clemens van Rome, Ignatius en
Polycarpus refereren allen naar Lucas/Handelingen, wat een datum voor
90 AD ondersteund en waarschijnlijk zelfs vroeger dan 80 AD.
Bijbelgeleerden die deze late datum ondersteunen zijn in een
onbeduidende minderheid. Deze lange maar
belangrijke discussie leidt tot twee mogelijke alternatieven:
Voor het Evangelie
van Matthëus wordt er unaniem aangenomen dat dit ver voor het jaar
100 AD is samengesteld. Als Matthëus het hele evangelie schreef, dan
zou een datum van 55-70 AD logisch zijn, speciaal als we het eerdere
citaat van Irenaeus accepteren: “Ook
Matthëus bracht een geschreven evangelie voor Joden, in hun eigen
dialect uit terwijl
Petrus en Paulus in Rome preekten” (nadruk
toegevoegd). Men neemt aan dat Petrus en Paulus aan het begin van de
jaren 60 AD in Rome waren. Deze vroege datum vindt ook ondersteuning
door de overweldigende hoeveelheid citaten en referenties uit het
Evangelie van Matthëus die in vele brieven van de vroege kerk leiders
gevonden zijn. De theorie dat
Matthëus de oorspronkelijke versie van zijn evangelie in het Aramees
schreef en later door een andere schrijver compleet heeft laten maken
past ook goed in deze feiten. Dit zou de oorspronkelijke versie
makkelijk tussen de jaren
55-65 AD plaatsen en het hele evangelie voor het jaar 90 AD of zelfs
100 AD. We concluderen
tenslotte dat beide opties voor de datering van Marcus, Lucas en
Handelingen als ook de twee alternatieven voor de datum van Matthëus
worden ondersteund door steekhoudende argumenten. De meningen van
bijbelgeleerden zijn hierover gelijk verdeeld. Welke optie we ook
kiezen, het laat zien dat alle drie de synoptische evangeliën en
Handelen geschreven zijn:
Tijdslijn voor het schrijven van het Nieuwe Testament
Lees meer over: (3) Bewijsstuk #12: Evangelie van Johannes
[1]
J.J. Griesbach heeft waarschijnlijk de term “synoptische evangeliën”
– in 1774 –geïntroduceerd. [2] Richard Bauckman, Jesus and the Eyewitnesses (2006), pagina’s 12-15 [3] Papias zoals geciteert door Eusebius in The Ante-Nicene Fathers Volume I through X: Translations of the Writings of the Fathers Down to AD 325 (1997), Volume 1, pagina 155. [4]
Idem, Volume 1, pagina 414. [6] Blomberg, Craig: The New American Commentary: Matthew. (2001), pagina 44. [7] Richard Bauckman, Jesus and the Eyewitnesses (2006), pagina’s 12-15. [8] Papias zoals geciteert door Eusebius in The Ante-Nicene Fathers Volume I through X: Translations of the Writings of the Fathers Down to AD 325 (1997), Volume 1, pagina 155. [9] Irenaeus, Against Heresies, The Ante-Nicene Fathers Volume I through X: Translations of the Writings of the Fathers Down to AD 325 (1997), Volume 1, pagina 425, zie ook het citaat op pagina 414. [10] The Ante-Nicene Fathers Volume I through X: Translations of the Writings of the Fathers Down to AD 325 (1997), Volume 2, pagina 573. [11]
Brooks, James A.: The New
American Commentary: Matthew.
(2001), pagina 26. [12]
Bailey, Mark; Constable, Tom; Swindoll, Charles R.; Zuck, Roy B.: Nelson's New Testament Survey: Discover the Background, Theology and
Meaning of Every Book in the New Testament. (1999), pagina 65. [13] The Ante-Nicene Fathers Volume I through X: Translations of the Writings of the Fathers Down to AD 325 (1997), Volume 1, pagina 414. [14]
Idem, Volume 2, pagina 573. [15]
Idem, Volume 3, pagina 347. [16]
Idem, Volume 5, pagina 603. [17]
Douglas, Comfort, Mitchell, Who's
Who in Christian History. (1992). [18]
Voor meer informatie over de datering van het boek
Handelingen, zie onder andere Polhill, John B.: The New American
Commentary: Acts. (2001),
pagina’s 27-32. Dit onderwerp wordt in diverse nivo’s van detail
besprokeb in de meeste Bijbel commentaren en boeken. [19] Irenaeus, Against Heresies 8.1.1. The Ante-Nicene Fathers Volume I through X: Translations of the Writings of the Fathers Down to AD 325 (1997), Volume 1, pagina 414: Irenaeus verwijst naar Petrus “vertrek’ als een metafoor voor zijn dood. |
|||||||||
| Windmill
Ministries - Christelijke Apologetiek - Geloofsverdediging voor het Christendom Home - Sitemap - Over Ons - Steun Ons - Neem Contact Op - Copyright - Boeken - DVDs |