(1) Wie schreef het Nieuwe Testament? (2) Bewijsstuk #11: Synoptische gospels en Handelingen
(3) Bewijsstuk #12: Evangelie van Johannes  (4) Bewijsstuk #13: De brieven van Paulus 
   

4. Auteurschap en datering van het Nieuwe Testament (2)

☼ Bewijsstuk #11: De synoptische evangeliën en Handelingen der Apostelen

De eerste drie evangeliën zijn Matthëus, Marcus en Lucas. Er is geen diepgaande studie voor  nodig om op te merken dat deze drie documenten veel informatie gemeen hebben (figuur 12-1 laat deze relaties zien). Traditioneel wordt er daarom naar verwezen als de synoptische evangeliën, omdat ze zich verlenen voor een synoptisch (overzichtelijk) arrangement: een vorm waarin ze tezamen kunnen worden bestudeerd.[1]

De meeste inhoud van 606 van de 661 verzen (ongeveer 90%) uit het boek van Marcus komt ook voor in Matthëus. Dat betekent dat van de 1068 verzen die Matthëus bevat er ongeveer 500 verzen (bijna de helft) zijn die informatie bevatten wat ook in Marcus kan worden gevonden. Hetzelfde geldt voor Lucas: 350 verzen uit Marcus verschijnen in bijna dezelfde woorden in het Lucas evangelie.  Daarom zijn van de 1149 verzen die gevonden worden in Lucas, 350 parallel verzen (ongeveer 30%) met Marcus. Slecht 31 verzen in Marcus zijn uniek voor dit evangelie. Dit heeft geleidt tot het wijd geaccepteerde idee dat Marcus het eerst geschreven evangelie moet zijn geweest en dat zowel Lucas als Matthëus een gehele of een gedeeltelijke kopie van Marcus ter beschikking hadden tijdens het schrijven van hun eigen evangelie.

Het synoptisch probleem - de synoptische evangelien

Het synoptisch probleem - de synoptische evangelien

Als we Lucas vergelijken met Matthëus (exclusief de verzen die overeenkomen met Marcus), dan zien we dat deze twee ongeveer 250 verzen met gemeenschappelijk materiaal hebben wat niet in Marcus wordt gevonden. Dit geeft ons ongeveer 300 verzen die uniek voor het boek van Matthëus zijn en rond de 550 die uniek zijn voor het boek van Lucas. Deze gelijkenis heeft tot de populaire theorie geleid dat Lucas en Matthëus een gezamenlijke bron hadden die voor beiden beschikbaar was. Dit document (of persoon of zelfs personen) wordt “Q” (of “Quelle, Duits voor “bron of herkomst”) genoemd.

 

Het is van grote betekenis om op te merken dat zowel Matthëus als Lucas in de verzen die ze delen met Marcus en/of Q  hun eigen schrijfstijl gebruiken. Elk van hen richt zich op een verschillende groep lezers en elk heeft details die duidelijk op een persoonlijke ervaring en/of andere ooggetuigen wijzen! Ja, er is heel veel gezamenlijk materiaal, maar elk evangelie schijnt verschillend materiaal toe te voegen.  Zelfs Marcus, waarvan men aanneemt dat dit het eerste evangelie was, heeft in een aantal verzen meer gedetailleerde omschrijvingen dan Lucas en Matthëus. De puzzel is veel gecompliceerder dan men in eerste instantie zou verwachten.

Het auteurschap van het evangelie van Matthëus

Dit evangelie lijkt de zwakste aanspraak te maken op de naam die met het boek wordt geassocieerd. Vele aanknopingspunten wijzen naar de apostel Matthëus, maar er zijn elkaar tegensprekende observaties. Om de conclusie te trekken dat Matthëus de schrijver is, blijft daarom enigszins speculatief; het is zoals sommigen zouden zeggen, een weloverwogen inschatting. Laten we eens kijken naar wat we weten:

Externe bewijzen:

  • Kerktraditie heeft altijd Matthëus als de schrijver geaccepteerd. In samenhang hiermee moeten we niet vergeten dat hij een tollenaar (ontvanger van tolgelden voor de Romeinse overheersers) was, een beroep dat in die dagen heel erg onpopulair was. Als men een naam zou hebben moeten selecteren om voor het boek te gebruiken, zou dit feit alleen al hem een onwaarschijnlijke kandidaat hebben gemaakt.
  • Al rond de jaren 120-130 AD (en sommigen beweren zelfs zo vroeg als 110 AD[2]), schrijft Papias: “Matthëus heeft de orakels in de Hebreeuwse taal samengesteld en iemand anders heeft ze zo goed mogelijk geïnterpreteerd.”[3]
  • En Irenaeus schrijft in Adversus Haereses (“Tegen de Ketters”) in 170-180 AD: “Matthëus bracht ook een geschreven evangelie aan de Joden uit, in hun eigen dialect, terwijl Petrus en Paulus in Rome preekten.”[4]

Interne bewijzen:

  • Het evangelie is geschreven in goed ontwikkeld Grieks, maar niet zo gepolijst dat we kunnen aannemen dat Grieks de moederstaal van de schrijver was. Dit komt overeen met het te verwachten taalniveau van een tollenaar uit de eerste eeuw met de bekwaamheid van een klerk in schrijfvaardigheid en Grieks.
  • Door het hele boek heen is de schrijfstijl Joods, waaruit blijkt dat de schrijver zeer waarschijnlijk een Jood was. De Joodse nadruk toont zich onder andere in de beschrijving van de stamboom van Jezus, de vele Oude Testament citaten en de nadruk op vervulde voorspellingen over de Messias.
  • In vergelijking met de andere evangeliën heeft Matthëus de meeste uitvoerige beschrijving en details van Jezus’ preken en uitspraken. De meest bekende preek is ongetwijfeld de complete Bergrede zoals vastgelegd in Matthëus hoofdstukken 5,6 en 7. Dit zou ook consistent zijn met Matthëus zijn bedrevenheid als klerk, waardoor hij mogelijk zelfs een vorm van kortschrift heeft beheerst.

Argumenten tegen het boek van Matthëus:

·         Als de ooggetuige Matthëus de schrijver geweest zou zijn dan, zo beweren critici, zou hij aan het Evangelie van Marcus (als bron) geen behoefte hebben gehad. Marcus was echter niet zijn enige bron, maar slechts een van de velen. Omdat Marcus (zoals we later kunnen zien[5]) hoogstwaarschijnlijk “Petrus zijn vertolker” was, is het eigenlijk best logisch voor Matthëus om gebruik te maken van Marcus/Petrus zijn teksten als een belangrijke bron van informatie. Zeker omdat Petrus (samen met Johannes en Jakobus) een van de drie apostelen was die het nauwst bij Jezus betrokken waren. Hij had immers het privilege van speciale privé bijeenkomsten met Jezus gehad en was getuige van unieke gebeurtenissen geweest.

·         De bovengenoemde referenties van Papias en Irenaeus wekken de indruk dat dit evangelie eerst in het Hebreeuws, en zelfs waarschijnlijker, in het Aramees was geschreven. Dit heeft tot de speculatie geleid dat Matthëus oorspronkelijk een versie in het Aramees heeft geschreven wat later door een Griekse schrijver is afgemaakt.

Zoals de welgerespecteerde bijbelgeleerde Craig L. Blomberg over het auteurschap van Mattheus concludeerde:[6]

“Deze auteur, op zijn minst van het originele concept van dit boek (of een van haar belangrijke bronnen), is naar alle waarschijnlijkheid de bekeerde tollenaar, ook wel Levi genoemd, die een van Jezus zijn twaalf discipelen werd. Nogmaals: we presenteren deze conclusie met voorzichtigheid. Weinig hangt hiervan af.  Noch inspiratie, noch apostolische autoriteit is afhankelijk van apostolische auteurschap (zoals bijvoorbeeld ook het geval bij Marcus en Lucas) en de kerk was in staat om accurate informatie onafhankelijk van de apostolische kringen te bewaren.”

Het auteurschap van het evangelie van Marcus

Ook dit evangelie is anoniem, maar we hebben enige solide observaties:

  • Papias schreef rond 120-130 AD ( of zelfs nog voor 110 AD[7]): “Markus, die de vertolker van Petrus geworden was, schreef accuraat op datgene wat hij herinnerde. Het was echter niet in de exact volgorde dat hij de uitspraken en daden van Jezus beschreef. Want hijzelf had noch Jezus gehoord, noch was bij Hem geweest. Maar achteraf, zoals ik al zei, begeleide hij Petrus, wiens instructies hij uitvoerde voor de behoeften [van zijn aanhoorders], maar zonder de intentie om een reguliere beschrijving van de uitspraken van de Heer vast te leggen. Waarvoor Markus geen fouten maakte door sommige dingen op te schrijven zoals hij ze zich herinnerde. Want hij zorgde speciaal voor een ding: om niets te vergeten wat hij had gehoord en om niets fictiefs aan de uitspraken toe te voegen.”[8]   Uit dit citaat blijkt niet alleen dat het boek van Marcus welbekend is in het begin van de tweede eeuw, het bevestigd ook de relatie van Marcus met Petrus de apostel.
  • Een andere bevestiging vanuit de vroegchristelijke kerk komt van Irenaeus rond 170-180 AD: “Marcus, de vertolker en volgeling van Petrus begint zijn evangelie verhaal op deze manier.”[9]
  • Clemens van Alexandrië benadrukt nog verder de samenhang tussen Marcus en Petrus rond 195 AD: “Mark, the follower of Peter, while Peter publicly preached the Gospel at Rome before some of Caesar’s equites, and adduced many testimonies to Christ, in order that thereby they might be able to commit to memory what was spoken, of what was spoken by Peter wrote entirely what is called the Gospel according to Mark.” [10]
  • Waarschijnlijk het sterkste argument voor Johannes Marcus is de unanieme overtuiging van de vroege kerk dat Marcus de schrijver van dit evangelie was. Allen, behalve Augustinus, verklaren dat Marcus dit in associatie met Petrus heeft geschreven. De referentie naar Marcus is zelfs nog meer significant wanneer men zich realiseert dat hij geen prominent figuur in de vroege kerk was, in tegendeel, zijn reputatie was danig aangetast doordat hij Paulus en Barnabas in het midden van de eerste evangelisatiereis had verlaten (Handelingen 13:13). Het is hoogst onwaarschijnlijk dat de kerk een evangelie aan hem zou hebben opgedragen zonder overtuigend bewijs dat hij dit ook inderdaad had geschreven.[11] Als de vroege kerk een naam voor dit evangelie “verzonnen” zou hebben, zou Marcus zeer zeker geen logische keuze zijn geweest.

Interne bewijzen:

  • Alleen in dit evangelie wordt de vlucht van een jonge man uit de tuin van Gethsemane (Marcus 14:51-52) omschreven. De gedetailleerde omschrijving van de “eetzaal” in Marcus 14:12-16 (vergelijk Matthëus 26:17-19; Johannes 13:1-12) geeft de suggestie dat Marcus over zijn eigen huis schreef.[12]

Het gebrek aan alternatieve kandidaten heeft veel bijbelgeleerden ertoe geleid om Marcus als schrijver te accepteren. Andere geleerden beweren dat Marcus waarschijnlijk de schrijver is; maar dat technisch gezien het evangelie anoniem behoort te blijven.

De auteur van het evangelie van Lucas en Handelingen

Het boek van Handelingen begint met “Het eerste boek heb ik gemaakt, o Theofilus, van al hetgeen Jezus begonnen heeft beide te doen en te leren; Tot op den dag, in welken Hij opgenomen is, nadat Hij door den Heiligen Geest aan de apostelen, die Hij uitverkoren had, bevelen had gegeven”  (Handelingen 1:1-2). Dit voormalige boek, wat door de auteur is genoemd, is duidelijk het Evangelie van Lucas wat begint met:  “Nademaal velen ter hand genomen hebben, om in orde te stellen een verhaal van de dingen, die onder ons volkomen zekerheid hebben; Gelijk ons overgeleverd hebben, die van den beginnen zelven aanschouwers en dienaars des Woords geweest zijn; Zo heeft het ook mij goed gedacht, hebbende alles van voren aan naarstiglijk onderzoek, vervolgens aan u te schrijven, voortreffelijke Theofilus! Opdat gij moogt kennen de zekerheid der dingen, waarvan gij onderwezen zijt”  (Lucas 1:1-4). Beide boeken zijn geadresseerd aan dezelfde Theofilus (letterlijk: “liefhebber van God”, wat een echte persoon geweest kan zijn of een symbolische naam voor een Christen) en dit maakt het aannemelijk dat Handelingen een vervolg op het evangelie van Lucas is. Het boek van Handelingen begint waar het boek van Lucas eindigt en de stijl en het taalgebruik van beide boeken zijn zo gelijk dat zelfs de meest kritische bijbelgeleerden het erover eens zijn dat beide boeken door dezelfde persoon zijn geschreven.

Ook is er grote overeenstemming  dat Lucas (de niet-Joodse metgezel van Paulus, waarschijnlijk een arts, mogelijk uit Antiochië) deze auteur is. Slechts een enkele scepticus doet een poging om te argumenteren dat hij niet de schrijver was. Laten we eens kijken naar wat we weten en hoe alle indicaties tot de conclusie leiden dat Lucas en Handelingen inderdaad allebei door de “geliefde geneesheer” zijn geschreven.

Externe bewijzen:

  •  Lucas is volgens de kerktraditie altijd geassocieerd geweest met het auteurschap. Geen alternatief is ooit voorgesteld. Als een “verzonnen” keuze zou Lucas niet logisch zijn omdat hij niet alleen geen Jood was (de enige niet Joodse  - heidense - schrijver van een bijbelboek), maar ook niet een van de originele discipels van Jezus.
  • Irenaeus schrijft in Adversus Haereses in 170-180 AD:  “Ook Lucas, de metgezel van Paulus, schreef het evangelie in een boek.”[13] Gelijke referenties kunnen in werken van Clemens van Alexandrië (ca. 195 AD)[14] en Tertullianus (ca. 207 AD)[15] worden gevonden.
  • De Muratorian Canon (ca. 170-180) leest: “Het derde boek van het Evangelie: Volgens Lucas. Deze Lucas was een geneesheer.”[16]
  • De gnostische ketter Marcion (ca. 140 AD) selecteerde de naam Lucas voor zijn verkorte canon voor het Nieuwe Testament. Dit laat zien dat in die tijd het evangelie van Lucas onder zijn naam reeds bekend was.

Interne bewijzen:

  • Beide boeken zijn door een goed opgeleide, van oorsprong Griekse, schrijver geschreven.
  • Een belangrijk aanknopingspunt komt van de zogenaamde “wij” clausules. De auteur reisde met Paulus zoals dit werd aangegeven als de tekst in Handelingen verandert van de derde persoon enkelvoud naar een relaas in de eerste persoon meervoud. Deze passages zijn Handelingen 16:10-17 (Paulus zijn reis van Troas naar Philippi); Handelingen 20:5-21:18 (Paul zijn reis van Philippi naar Jeruzalem); en tenslotte Handelingen 27:1-28:16 (Paul zijn reis van Caesarea naar Rome).
  • Lucas werd door Paulus genoemd in het boek van Kolossenzen 4:14, 2 Timothëus 4:11 en Filemon 24. Paulus identificeert Lucas in het boek van Kolossenzen als een geneesheer.

Datering van de Synoptische evangeliën

De datering van de synoptische evangeliën (Matthëus, Marcus en Lucas) is van groot belang. Immers, hoe groter de verstreken tijd tussen een evenement en het registreren hiervan is, des te groter de kans op de tekst afwijkt van de feitelijk gebeurtenis. Geschiedenis heeft aangetoond dat verhalen die meer dan een generatie na het evenement zijn opgeschreven zeer waarschijnlijk onderhevig geweest zijn aan het vormen van legenden. Voorbeelden hiervan zijn de welbekende verhalen van Koning Arthur en de ridders van de Ronde Tafel en de avonturen van Robin Hood.  De verhalen over hun heldendaden zijn vele generaties nadat deze personen leefden opgeschreven. Gedurende deze lange tijd, waarin de verhalen mondeling zijn doorgegeven van generatie naar generatie, werden ze verfraaid en nieuwe avonturen werden toegevoegd.  Hoogstwaarschijnlijk was er ooit een koning die Arthur werd genoemd en een “rebel” die bekend was als Robin Hood, maar geen enkele geschiedschrijver geloofd serieus dat ze de heldendaden verrichtte die we in de verhalen vinden. Dit is hoe legendes en myths vormen, door gedurende een aantal generaties het ‘telefoonspel’ te spelen.

Hoe dichter we de betrouwbaarheid van de evangeliën bij de actuele evenementen kunnen plaatsen, de zekerder we ervan kunnen zijn dat ze geschiedkundig betrouwbaar zijn. In samenhang met dit is de uitdrukking ooggetuige periode belangrijk. Geschiedkundigen beschouwen dit de tijdsduur die volgt op een gebeurtenis gedurende we zeker kunnen aannemen dat een significant aantal ooggetuigen nog steeds levend zijn en de gebeurtenis kunnen bevestigen. Voor de eerste eeuw wordt deze periode op 40 jaar geschat. Dit is behoorlijk conservatief omdat ook in de dagen van Jezus mensen makkelijk 50, 60 of zelfs ouder werden. De periode van de kruisiging (33 AD) tot aan de verwoesting van Jeruzalem (70 AD) was redelijk vredig. Ja, de Joden werden inderdaad onderdrukt door de Romeinse bezetters, maar er was geen overdadig geweld of massa executies. Nauwkeurige schattingen voor de levensverwachting van een persoon in de eerste eeuw zijn niet beschikbaar, maar we weten de oudere leeftijd van sommige individuen. Historisch betrouwbare informatie geeft bijvoorbeeld aan dat een van de bisschoppen (ouderling) van de vroege kerk, Polycarpus ver in zijn tachtiger jaren was toen hij de martelaarsdood stierf in 156 AD.[17] Augustus Caesar (63 BC – 14 AD), de Romeinse keizer die gedurende Jezus zijn geboorte leefde, werd 76 jaar oud terwijl zijn opvolger Tiberius Caesar Augustus (42 BC – 37 AD) een natuurlijke dood stierf op de leeftijd van 78.

Overdadig bewijs suggereert dat een heel groot aantal van de persoonlijke getuigen van Jezus zijn leven en opstanding nog in leven waren gedurende de ooggetuigenperiode van 30-70 AD. Evangelische bijbelgeleerden dateren vaak de synoptische evangeliën in de period 55-70 AD, ongeveer 10 jaar vroeger dan hun liberale tegenhangers die 65-90 AD prefereren. Laten we de redeneringen en argumenten hiervoor eens onderzoeken.

De synoptische theorie, die voorgaand werd beschreven, is bruikbaar voor het vaststellen van een mogelijke data voor deze evangeliën. Dit is naar aanleiding van twee overwegingen:

Het boek van Marcus was het eerste boek: Omdat zowel Lucas als Matthëus, Marcus als een bron gebruikten moet zijn evangelie het eerste evangelie zijn geweest. Derhalve, indien we een laatst mogelijke datum voor de samenstelling van het boek van Lucas en/of Matthëus kunnen vaststellen, kunnen we logischerwijs concluderen dat Marcus eerder was geschreven.

De boeken van Lucas en Handelingen hebben dezelfde auteur: Omdat het boek van Handelingen een vervolg is op het boek van Lucas, betekent dit logischerwijs dat wanneer we het boek Handelingen kunnen dateren, we de laatst mogelijk datum voor het boek van Lucas ook hebben vastgesteld en omdat het boek van Marcus nog eerder was geschreven, we ook de laatst mogelijk datum voor dit evangelie hebben.

Kunnen we echter het boek van Handelingen dateren? De meningen van de diverse bijbelgeleerden variëren van het jaar 57 AD tot en met het jaar 150 AD. Er zijn drie verschillende standpunten:[18]

Handelingen was voor het jaar 65 AD geschreven: Het grootste gedeelte van het boek houdt zich bezig met de evangelisatie door Petrus en Paulus en veel van de actie centreert zich op Jeruzalem en de missionaire reizen van Paulus. Ongetwijfeld heeft Lucas een poging gedaan om vele evenementen en historische details zo nauwkeurig mogelijk op te schrijven. De marteldood van Stefanus (Handelingen 7:54-60) en Jacobus (broer van Johannes, Handelingen 12:1-2) zijn vermeld en het boek eindigt met Paulus arrestatie in Rome (Handelingen 28:14-31), maar zegt niets over zijn gevangenhouding. Ook noemt het boek niet de dood van Paulus en Petrus (in het midden van de jaren 60 AD) of over Jacobus (Jezus zijn broer in ongeveer 62 AD). Handelingen zegt het niets over de Joodse opstand tegen Rome (in het begin van het jaar 66 AD) en de verwoesting van Jeruzalem (70 AD). Hoe kan de schrijver deze evenementen over het hoofd zien terwijl ze belangrijker lijken te zijn dan menig evenement wat wel is opgeschreven? Deze omissies geven een sterk argument voor een datum van 60-62 AD, zeker niet later dan 65 AD voor de samenstelling van het boek van Handelingen. Voorstanders beroepen zich ook op de primitieve theologie van Petrus zijn toespraken, en het feit dat Lucas geen kennis van Paul zijn epistels toont. Tenslotte is het gebruik van de titel “Zoon des  mensen Als naam voor Jezus, een bevestiging voor deze vroegere datum, omdat al tegen het einde van de eerste eeuw voornamelijk de titel “Zoon van God” (zie bij voorbeeld de namen voor Jezus in het Evangelie van Johannes) als naam voor Jezus werd gebruikt.

Handelingen is geschreven tussen 70-90 AD, waarschijnlijk voor 80 AD: Wanneer we het Evangelie van Lucas zo vroeg als het jaar 62 AD dateren ontstaan echter twee problemen. Ten eerste zou het Evangelie van Lucas kennis over de val van Jeruzalem in 70 AD kunnen suggereren. Lucas geeft drie voorspellingen over de verwoesting van de stad (19:41-44; 21:20-24; 23:28-31) weer. Critici beweren dat de nadruk die hierop wordt gelegd suggereert dat dit al was gebeurd. Het tweede argument tegen een vroege datum voor het boek van Lucas is de veronderstelling dat hij het Evangelie van Marcus als een van zijn bronnen gebruikte. Irenaeus gaf aan dat Marcus zijn gospel baseerde op de memoires van Petrus en na het overlijden van Petrus.[19] Deze tekst is als volgt: “…terwijl  Petrus en Paulus preekten in Rome en de fundatie voor de kerk bouwden. Na hun vertrek, gaf Marcus, de discipel en vertolker van Petrus, wat door Petrus werd gepreekt aan ons in geschrift door.”   Het idee is dat Petrus en Paulus zijn geëxecuteerd tijdens de Nero vervolgingen in het midden van de jaren 60 AD. Dit dateert Marcus na 65 AD en vandaar Handelingen zelfs later dan dat. Lucas heeft misschien onmiddellijk toegang tot Marcus gehad en heeft zijn evangelie vlak na Marcus samengesteld. Het is waarschijnlijker dat er wat tijd is verlopen tussen de twee evangeliën. Dat suggereert dan dat het Lucas evangelie na 70 AD en Handelingen gedurende 70-80 AD moet worden gedateerd.

Handelingen is na 90 AD geschreven: Een datum na 90 AD word niet meer serieus overwogen. Het auteurschap van Lucas, die volgens de traditie al eerder als martelaar was gestorven, maakt dit een onrealistisch alternatief.  Zowel Handelingen als het Lucas evangelie bewijzen toegang tot goede bronnen te hebben – ooggetuigen waren tegen deze tijd niet langer meer beschikbaar. Tenslotte, Clemens van Rome, Ignatius en Polycarpus refereren allen naar Lucas/Handelingen, wat een datum voor 90 AD ondersteund en waarschijnlijk zelfs vroeger dan 80 AD. Bijbelgeleerden die deze late datum ondersteunen zijn in een onbeduidende minderheid.

Deze lange maar belangrijke discussie leidt tot twee mogelijke alternatieven:

  1. Marcus  (50-60) < Lucas (55-62) < Handelingen (60-62, 65 als uiterste datum)
  2. Marcus  (65-70) < Lucas (70-75) < Handelingen (70-80, 90 als uiterste datum)

Voor het Evangelie van Matthëus wordt er unaniem aangenomen dat dit ver voor het jaar 100 AD is samengesteld. Als Matthëus het hele evangelie schreef, dan zou een datum van 55-70 AD logisch zijn, speciaal als we het eerdere citaat van Irenaeus accepteren: “Ook Matthëus bracht een geschreven evangelie voor Joden, in hun eigen dialect  uit terwijl Petrus en Paulus in Rome preekten”  (nadruk toegevoegd). Men neemt aan dat Petrus en Paulus aan het begin van de jaren 60 AD in Rome waren. Deze vroege datum vindt ook ondersteuning door de overweldigende hoeveelheid citaten en referenties uit het Evangelie van Matthëus die in vele brieven van de vroege kerk leiders gevonden zijn.

De theorie dat Matthëus de oorspronkelijke versie van zijn evangelie in het Aramees schreef en later door een andere schrijver compleet heeft laten maken past ook goed in deze feiten. Dit zou de oorspronkelijke versie makkelijk tussen de  jaren 55-65 AD plaatsen en het hele evangelie voor het jaar 90 AD of zelfs 100 AD.

We concluderen tenslotte dat beide opties voor de datering van Marcus, Lucas en Handelingen als ook de twee alternatieven voor de datum van Matthëus worden ondersteund door steekhoudende argumenten. De meningen van bijbelgeleerden zijn hierover gelijk verdeeld. Welke optie we ook kiezen, het laat zien dat alle drie de synoptische evangeliën en Handelen geschreven zijn:

  • Binnen 20-60 jaar na de opstanding,
  • Gedurende de levensduur van talrijke ooggetuigen van Jezus zijn onderwijzingen, kruisiging en opstanding,
  • Te dicht bij de gebeurtenissen voor het vormen van mythen en legenden,
  • En vroeg genoeg voor Matthëus, Marcus en Lucas om als auteurs te kunnen worden bevestigd

Tijdslijn Nieuwe Testament

 

Tijdslijn voor het schrijven van het Nieuwe Testament

 

Lees meer over: (3) Bewijsstuk #12: Evangelie van Johannes 

 


[1] J.J. Griesbach heeft waarschijnlijk de term “synoptische evangeliën” – in 1774 –geïntroduceerd.

[2] Richard Bauckman, Jesus and the Eyewitnesses (2006), pagina’s 12-15

[3] Papias zoals geciteert door Eusebius in The Ante-Nicene Fathers Volume I through X: Translations of the Writings of the Fathers Down to AD 325 (1997), Volume 1, pagina 155.

[4] Idem, Volume 1, pagina 414.

[6] Blomberg, Craig: The New American Commentary: Matthew. (2001), pagina 44.

[7] Richard Bauckman, Jesus and the Eyewitnesses (2006), pagina’s 12-15.

[8] Papias zoals geciteert door Eusebius in The Ante-Nicene Fathers Volume I through X: Translations of the Writings of the Fathers Down to AD 325 (1997), Volume 1, pagina 155.

[9] Irenaeus, Against Heresies, The Ante-Nicene Fathers Volume I through X: Translations of the Writings of the Fathers Down to AD 325 (1997), Volume 1, pagina 425, zie ook het citaat op pagina 414.

[10] The Ante-Nicene Fathers Volume I through X: Translations of the Writings of the Fathers Down to AD 325 (1997), Volume 2, pagina 573.

[11] Brooks, James A.: The New American Commentary: Matthew. (2001), pagina 26.

[12] Bailey, Mark; Constable, Tom; Swindoll, Charles R.; Zuck, Roy B.: Nelson's New Testament Survey: Discover the Background, Theology and Meaning of Every Book in the New Testament. (1999), pagina 65.

[13] The Ante-Nicene Fathers Volume I through X: Translations of the Writings of the Fathers Down to AD 325 (1997), Volume 1, pagina 414.

[14] Idem, Volume 2, pagina 573.

[15] Idem, Volume 3, pagina 347.

[16] Idem, Volume 5, pagina 603.

[17] Douglas, Comfort, Mitchell, Who's Who in Christian History. (1992).

[18] Voor meer informatie over de datering van het boek Handelingen, zie onder andere Polhill, John B.: The New American Commentary: Acts. (2001), pagina’s 27-32. Dit onderwerp wordt in diverse nivo’s van detail besprokeb in de meeste Bijbel commentaren en boeken.

[19] Irenaeus, Against Heresies 8.1.1. The Ante-Nicene Fathers Volume I through X: Translations of the Writings of the Fathers Down to AD 325 (1997), Volume 1, pagina 414:  Irenaeus verwijst naar Petrus “vertrek’ als een metafoor voor zijn dood.

Windmill Ministries - Christelijke Apologetiek - Geloofsverdediging  voor het Christendom
Home - Sitemap - Over Ons - Steun Ons - Neem Contact Op - Copyright - Boeken - DVDs

Vertel een vriend over deze pagina: 

SIP's Top Christian Books Sites - Free Traffic Sharing Service! JCSM''s Top 1000 Christian Sites - Free Traffic Sharing Service! Top Christian Web Sites The Fundamental Top 500