De “apocriefe
drukkerij” produceerde, zoals eerder reeds vermeld, vele honderden
alternatieve “evangeliën”, “handelingen” en
“openbaringen” gedurende de eerste eeuwen van het Christendom. In
de negende eeuw vermelde Photius 280 van dit soort teksten en sinds
dien zijn er veel meer ontdekt.[1]
Sommige, meer recentelijk ontdekte gnostische “evangeliën”, zijn
bestempeld als potentiële nieuwe openbaringen. Het bestaan van de
meeste is echter al eeuwen bekend en die worden als irrelevant
beschouwd. We zullen een overzicht bespreken van de meest
“beroemde” van deze potentiële nieuwe openbaringen en we zullen
ze groeperen volgens de aan het begin van dit hoofdstuk genoemde
criteria: Geschreven
ver na de teksten van het Nieuwe Testament (na 100 AD): Het
Evangelie van Judas
(midden tot einde tweede eeuw). Dit evangelie was bekend aan Irenaeus
en Epiphanius (ca 315-403), de bisschop van Salamis. Het is
geproduceerd door een gnostische sekte en heeft mogelijk “een passie verhaal over het mysterie van het verraad” bevat, welke
verklaart hoe Judas door zijn daden “de
redding van de gehele mensheid mogelijk maakte”.[2]
De enige beschikbare gnostisch herschreven tekst uit de vierde eeuw
karakteriseert Judas als Jezus meest favoriete en meest vertrouwde
discipel en legt zijn verraad uit als een onderdeel van God’s plan.[3] Het
Evangelie van Philippus (tweede
of derde eeuw).[4]
Dit gnostische evangelie was slechts bekend door een citaat totdat een
latere tekst werd gevonden in Nag Hammadi. Het lijkt een verzameling
van diverse materialen te zijn, het is meest bekend door de
beschrijving van sacramenten. In de roman de DaVinci
Code wordt een vers uit dit evangelie gebruikt om de nauwe relatie
tussen Maria Magdalena en Jezus als “de
bevoorrechte discipel” te “bewijzen”.[5] Het
Evangelie der Waarheid
(tweede eeuw). Een andere gnostische tekst gevonden bij Nag Hammadi.
Het reflecteert het belang van het werk voor de vergeving van zonden
door Jezus vanuit een speciale theologische (gnostische) invalshoek.[6] Het
Evangelie van Maria (Magdalena) (tweede eeuw). Wederom een andere
gnostisch “evangelie” gevonden bij Nag Hammadi. Er is slechts een
beperkt gedeelte bewaard gebleven dat kan worden verdeeld in twee
secties. De eerste sectie beschrijft een dialoog tussen de verrezen
Heiland en de discipelen. Het restant is Maria’s beschrijving van
speciale openbaringen die Jezus aan haar heeft toevertrouwd.[7]
De DaVinci Code refereert naar een vers dat “Petrus
klagend over de nauwe band tussen Maria and Jezus” zou
beschrijven.[8] Het
Jeugd Evangelie van Thomas
(tweede eeuw). Dit was een populair verhaal over de jeugd van Jezus
tot Zijn twaalfjarige leeftijd. Het beschrijft Hem als een machtige
jongen met alle eigenschappen van een bovennatuurlijke wonderdoener en
leraar. Het vond waarschijnlijk zijn oorsprong in niet-joodse
Christelijke kringen in de tweede eeuw en het heeft geen enkele
relatie met het Evangelie van Thomas.[9] Authentieke
geschriften van voor 100 AD, echter niet van apostolische bronnen: Het
Evangelie van de Hebreeën (ca.
65-100 AD). Dit is waarschijnlijk het oudste, niet-canonieke evangelie. De
tekst heeft slechts overleefd in een paar fragmentarische citaten van
de vroege kerk leiders: Clemens van Alexandrie (ca. 195 AD) and
Origenes (ca. 228 AD). Volgens Hiëronymus[10]
(de schrijver/vertaler van de Latijnse Vulgaat) wordt dit door sommige
“de ware Matthëus” genoemd. Dit lijkt onwaarschijnlijk omdat de
genoemde citaten weinig overeenstemming met de canonieke Matthëus
teksten vertonen. Clemens
van Rome, Ignatius, Polycarpus, de Didache, Brief van Barnabas. Dit zijn alle eerder genoemde geschriften van de vroege kerk. Mogelijk
initieel geschreven voor 100 AD maar beschouwd als niet relevant of
ketterij: Het
Evangelie van Thomas
(tweede of einde van de eerste eeuw). Een van de Nag Hammadi document,
maar veruit het meest bekende alternatieve evangelie. Datering is
cruciaal. Dit weten we zeker: “Tenminste
een van deze Griekse fragmenten komt van een manuscript dat was
geschreven voor 200 AD, dus de Griekse versie van dit evangelie was in
Egypte al in de tweede eeuw in gebruik.”[11]
De meeste bijbelgeleerden dateren dit evangelie aan het begin van de
tweede eeuw, maar sommige beargumenteren een datum van midden tot laat
eerste eeuw.[12]
Sommige hebben dit zelfs “Het
Vijfde Evangelie” [13]genoemd.
De schrijver zou Judas Thomas
Didymus, of Judas “de tweeling” geweest zijn, een van de apostelen
van Jezus. Het Evangelie van
Thomas is niet in verhaalvorm, zoals de canonieke evangeliën, maar
een verzameling van 114 uitspraken die toegekend zijn aan Jezus. Velen
tonen indrukwekkende overeenkomsten met gedeelten van de synoptische
evangeliën, maar lijken een gnostische wending gekregen te hebben. Het grote
probleem met deze tekst is dat de Nag Hammadi versie de enige compleet
bewaard gebleven tekst is. Er is bekend dat dit een vertaling is uit
de periode 350-400 AD dat significante gnostische redactie (herschrijven,
zoals de meeste of zelfs mogelijk alle ducomenten uit de Nag Hammadi
bibliotheek) heeft ondergaan. De vroegste Griekse tekst dateert van
rond het jaar 200, maar is zo gefragmenteerd dat reconstructie van de
originele tekst niet mogelijk is. De volgende illustratie vergelijkt
enkele verzen van Mattheus met Gezegde #2 uit een Grieks fragment uit
de derde eeuw en een vierde eeuws Coptisch Nag Hammadi tekst.[14]
Observeer hoe de tekst “evolueert” tussen de vertalingen: [15]
Dus het Evangelie
van Thomas zou mogelijk kunnen dateren uit dezelfde periode als het
Nieuwe Testament. Het zou zelfs beschikbaar geweest kunnen zijn als
bronmateriaal (zoals Q) voor de schrijvers van de canonieke evangeliën.
Echter een vergelijking van de Nag Hammadi tekst met een beperkt
Grieks fragment toont duidelijke tekenen van gnostische redactie. Als
deze worden verwijderd dan lijkt de overgebleven tekst niets toe te
voegen aan wat wordt onderwezen in het Nieuwe Testament.[16] Het
Evangelie van Petrus
(waarschijnlijk tweede eeuw, sommigen claimen tweede helft van de
eerste eeuw). Origenes (ca. 200 AD) en Eusebius (ca. 300 AD) verwijzen
beiden naar dit evangelie, maar geven geen citaten. De oudst bewaard
gebleven tekst is van een achtste of negende eeuws manuscript wat in
1886 werd ontdekt. Het is een passieverhaal dat het lijden en de dood
van Christus beschrijft. Het lijkt gebouwd te zijn op de synoptische
evangeliën, en is niet noodzakelijker wijs in conflict met deze
verhalen, met uitzondering van enige docetische nuances (waarschijnlijk
latere toevoegingen tijdens het kopiëren). Docetisme is het door de
vroege kerk veroordeelde geloof dat Jezus’ fysieke lichaam en de
kruisiging slechts een illusie waren; ofwel, Jezus lichaam en dood
leken slechts echt, in werkelijkheid was Hij een pure geest en kon
daarom niet sterven. Het Evangelie van
Petrus vermeldt diverse details die in conflict zijn met het Nieuwe
Testament. Deze zijn onder andere: ·
Pilatus was
onschuldig aan de dood van Jezus en alleen de Joden dragen de
verantwoordelijkheid. ·
Jezus
voelde geen pijn tijdens de kruisiging. ·
Jezus
refereerde aan de Vader als “mijn
kracht”. En de Heer riep met een luide stem “Mijn
kracht, mijn kracht, U heeft mij verlaten!” ·
Jezus’
“broers en zusters” waren van een eerder huwelijk van Jozef, een
concept dat ook reeds lang door de Rooms Katholieke kerk wordt
uitgedragen. Daarnaast bevat
het Evangelie van Petrus een uitgebreid en duidelijk opgeblazen
beschrijving van de verrijzenis van Jezus.[17] Het is wel
mogelijk, maar niet waarschijnlijk, dat het was geschreven rond
dezelfde tijd als de andere Nieuwe Testament evangeliën. De vroege
kerk leiders hebben het echter niet genoemd noch hebben ze eruit
geciteerd. In feite is het niet eens overwogen om in de canon
opgenomen te worden. De beschikbare tekst is vele eeuwen verwijderd
van het origineel en is waarschijnlijk aangepast door docetische
invloeden.[18] Q (voor Matthëus en Lucas). Voor de compleetheid moeten we op deze lijst ook
de zogenaamde Q bron vermelden. Hoewel het niet noodzakelijkerwijs een
geschreven bron behoeft te zijn – het kan ook een persoon of
personen geweest zijn – zou het tot het midden van de eerste eeuw
terugdateren. Sommigen waren gretig om het Evangelie van Thomas als Q
te identificeren, maar dat wordt niet langer als een serieuze optie
beschouwd. Conclusie
Zoals we hebben
gezien suggereert het tromgeroffel over de “verloren boeken” veel
meer dan er werkelijk aan de hand is. Jawel, kabel en satelliet tv
documentaires over de Bijbel vermelden graag de “verloren” en
“zoekgeraakte” boeken. En inderdaad, als je een boekwinkel bezoekt,
dan vind je significante ruimte op de schappen die is toebedeeld aan
deze “nieuwe ontdekkingen”. Maar je moet je toch afvragen hoeveel
van deze aandacht wordt gedreven door objectieve studie en hoeveel
daarvan te maken heeft met persoonlijke agenda’s en/of het
realiseren van betere verkopen? De objectieve
reconstructie van de geschiedenis en het beschikbare bewijs tonen dat
de vroegchristelijke kerk deze “verloren boeken” goed kende. Zij
besloten echter om ze niet op te nemen in het canonieke Nieuwe
Testament gebaseerd op zorgvuldige overwegingen: ze waren later
geschreven, niet door apostelen, veel waren zelf ketterij en /of
bevatten zwaar overdreven verhalen. De beschikbare
“verloren” teksten van vandaag komen voornamelijk uit de vierde
eeuw door de gnostische Koptische vertalingen uit de Nag Hammadi
bibliotheek. Dit zijn geen betrouwbare vertalingen en kopieën van de
originele Griekse tweede eeuwse teksten. Ze zijn bewust gewijzigd om
beter aan te sluiten met gnostische opvattingen. Een eerlijke en
zorgvuldige analyse van de “verloren boeken” verhoogt slechts het
vertrouwen in de betrouwbaarheid van de canonieke Nieuwe Testament
documenten. Lees meer over: 6. Archeologie en de Bijbel
[1] Norman L. Geisler, William E. Nix: A General Introduction to the Bible. (1986), pagina 301. [2]
Norman L.
Geisler, William E. Nix: A
General Introduction to the Bible. (1986),
pagina 307. [3] Darell L. Bock, The Missing Gospels (2006), pagina’s 215-217. [4] Darell L. Bock, The Missing Gospels (2006), pagina’s 67-68; Wesley W. Isenberg; The Nag Hammadi Library in English. (1996), pagina 141. [5]
Carl E. Olson, Sandra Miesel, The
Da Vinci Hoax (2004), pagina 93. [6] Harold W. Attridge en George W. MacRae; The Nag Hammadi Library in English. (1996), pagina 38. [7]
George W. MacRae en R. McL.Wilson; The
Nag Hammadi Library in English. (1996), pagina 523. [8]
Carl E Olson, Sandra Miesel, The Da Vinci Hoax
(2004), pagina’s 58,63,75. [9] Fahlbusch, Erwin; Bromiley, Geoffrey William: The Encyclopedia of Christianity (1999), Volume 1, pagina 100. [10]
Jerome genoemd in Engelstalige literstuur. [11]
Robinson, James McConkey; Smith, Richard; The
Nag Hammadi Library in English. (1996),
pagina 124. [12] Darell L. Bock, The Missing Gospels (2006), pagina 61. [13] The Five Gospels: What did Jesus Really Say? The Search for the Authentic Words of Jesus (1993), Robert Funk en het Jesus Seminar. [14] Van Michael J Bumbulis, Is the Gospel of Thomas Reliable? (1995). [15]
Vanwege het belang van de zo exact mogelijke vertaling uit de
Griekse en Koptische brontekst heb ik niet geprobeerd het Engels in
het Nederlands te vertalen. [16]
Voor een meer uitgebreide analyse, zie ook: Darell L. Bock, The
Missing Gospels (2006), pages 59-65 en Gary R. Habermas, The
Historical Jesus (1996) pagina’s 211-213. [17] Norman L. Geisler, William E. Nix: A General Introduction to the Bible. (1986), pagina 303. [18] Zie ook Darell L. Bock, The Missing Gospels (2006), pagina’s 78-79. . |
||||||||||||
| Windmill
Ministries - Christelijke Apologetiek - Geloofsverdediging voor het Christendom Home - Sitemap - Over Ons - Steun Ons - Neem Contact Op - Copyright - Boeken - DVDs |