De prijs voor een
slaaf
Archeologische
vondsten zoals de Nuzi kleitabletten maken het mogelijk om de prijs
voor een slaaf in de
oudheid te achterhalen. Zoals met de olieprijzen van vandaag werden in
het Oude Testament slaven verhandeld volgens de geldende marktprijzen. In Biblical Archaeology Review (BAR) en in zijn boek On the Reliability of the Old Testament[1] onderzocht de welgerespecteerde archeoloog Kenneth A. Kitchen de prijs van een slaaf zoals genoemd in de Bijbel in vergelijking met de “vrije markt”. Zoals hij schrijft in BAR:[2] “Een belangrijk aspect is de prijs van slaven uitgedrukt in zilverlingen (ook wel zilveren sikkels genoemd). Van oude bronnen uit het Nabije Oosten weten we ongeveer de prijs van slaven over een periode van ongeveer 2.000 jaar; van 2400 BC tot 400 BC. Onder de Akkad Empire (2371-2191 BC) bracht een goede slaaf 10-15 zilverlingen op, alhoewel de prijs gedurende de Derde Dynastie van Ur lichtelijk tot 10 zilverlingen (2113-2006 BC) daalde. In het tweede millennium BC gedurende de vroege Babylonische periode ging de prijs van een slaaf omhoog tot ongeveer 20 zilverlingen, zoals we dat weten van de Wetten van Hammurabi en documenten van Mari en andere plaatsen van de negentiende en achttiende eeuw BC. In Nuzi en Ugarit, gedurende de viertiende en dertiende eeuw BC ging de prijs omhoog tot 30 zilverlingen en soms nog meer. Meer dan vijfhonderd jaar later eisten de Assyrische slavenmarkten 50 tot 60 zilverlingen voor slaven; en onder het Perzische Rijk (vijfde en vierde eeuw BC), dreef een rijzende inflatie de prijs op tot 90 en 120 zilverlingen.”
De prijs van slaaf in de oudheid De
Bijbel vertelt ons
“Als nu de Midianietische
kooplieden voorbijtogen, zo trokken en hieven zij Jozef op uit den
kuil, en verkochten Jozef aan deze Ismaelieten voor twintig
zilverlingen; die brachten Jozef naar Egypte.” (Genesis
37:28). In de Wet van Mozes lezen we de prijs van een slaaf rond 1450
BC: “Indien de os een knecht
of een dienstmaagd stoot, hij zal zijn heer dertig zilverlingen
geven, en de os zal gestenigd worden.”
(Exodus 21:32). En tenslotte, Menahem, een van de koningen van Israël
betaalde losgeld voor een aantal Israëlieten aan Pul, de koning van
Assyrië, “Menahem nu bracht
dit geld op van Israël, van alle geweldigen van vermogen, om den
koning van Assyrië te geven, voor elk man vijftig zilveren sikkels”
(2 Koningen 15:20). Figuur 14-1[3]
presenteert deze gegevens in een grafiek. Zoals we kunnen zien zijn de
prijzen in de Bijbelse verhalen consequent met de andere
oudheidkundige bronnen. Dit is buitengewoon belangrijk. Als de Thora
gedurende de Babylonische ballingschap (zesde eeuw BC) geschreven zou
zijn, of zelfs later zoals menige kritische bijbelgeleerden beweren[4],
hoe konden de schrijvers 1200 jaar later met zo’n accuraatheid de
prijs van een slaaf hebben geweten? Ze zouden geen toegang tot dit
soort informatie hebben gehad en zouden waarschijnlijk de prijs voor
een slaaf hebben gebruikt zoals die in hun tijd was.
[1] K.A. Kitchen , On the Reliability of the Old Testament (2001), pagina’s 344-345. [2] K.A. Kitchen , BAR 21:02 (March/April 1995). Biblical Archaeology Society, (2002). [3]
Figuur is gebaseerd op onderzoek van
K.A. Kitchen,, BAR
21:02
(March/April 1995).
Biblical Archaeology Society, (2002). [4] Zie de Documentaire Hypothese discussie in hoofdstuk 10, Bewijsstuk 14: Auteurschap van de Thora.
|
||||||||||||||||||||||||
| Windmill
Ministries - Christelijke Apologetiek - Geloofsverdediging voor het Christendom Home - Sitemap - Over Ons - Steun Ons - Neem Contact Op - Copyright - Boeken - DVDs |