De koningen van
Israel en Juda
De bijbel geeft
een gedetailleerd chronologisch overzicht van de geschiedenis van de
koningen die koning Salomo opvolgden in het verdeelde koninkrijk: Israël
(het noorden) en Juda (het zuiden). Kunnen we archeologische
bevestigingen van hun namen buiten de Bijbel om vinden? Heersers uit
de oudheid gebruikte monumenten zoals prisma’s, obelisken en
gedenkstenen om hun heldendaden vast te leggen. Deze massieve
documenten van steen en klei hebben de eeuwen als oudheidkundige
overblijfselen overleefd. Ze geven waardevolle inzichten van hoe het
leven gedurende de bijbeltijden was en bevestigen (en voegen vaak
zelfs belangrijke informatie toe aan) Bijbelse gebeurtenissen. Het
volgende overzicht geeft een opsomming van vondsten die de namen en
regeerperioden van een aantal Bijbelse koningen en hun vijanden
bevestigd:
- Zwarte
Obelisk van Salmanasser III. Vroeg
in de negentiende eeuw legden archeologen, ten zuiden van Mosoel
in Irak, een stenen monument bloot wat dateerde van de negende
eeuw BC (rond 840 BC) en wat nu bekend is als de Zwarte
Obelisk. Het van kalksteen gemaakte vierzijdige monument is
gedecoreerd met vijf gegraveerde registers, die elk het hulde
brengen aan Salmanasser afgebeelden. Elk register is aan vier
kanten te lezen, een paneel voor elke zijde, waarbij elk paneel
een bepaald huldevertoon en de huldebrengers afbeeld. Op het
tweede register van boven wordt een huldevertoon afgeschilderd van
de Israëlische koning Jehu (die regeerde van 841-814 BC). De
centrale figuur op het eerste paneel van het register,
waarschijnlijk Jehu zelf, buigt zijn voorhoofd naar de grond om
mogelijkerwijs de voeten van de Assyrische vorst te kussen.
Sommige suggereren dat deze figuur Jehu’s gezant is, maar als
het Jehu zelf is dan is dit paneel het enige beschikbare
afbeelding van een koning van het vroegere Israel.
Het onderschrift bij deze afbeelding vermeldt: “Hulde
van Iaua [Jehu], zoon
van Omri. Zilver, goud, een gouden kom, een gouden beker, gouden
kelken, kruiken met goud, tin, staven voor de koning, [en] speren,
heb ik [Salmanasser] van
hem ontvangen.”
- Stele
van Mesha. Naast
de naam van Koning David, worden ook Achab en zijn vader Omri op
de bovengenoemde Moabietische
Steen (ook wel de Stele van Mesha genoemd) aangetroffen. Mesha,
de koning van Moab (2 Koningen 3:4), schrijft dat Omri, koning van
Israël en zijn zoon Achab Moab hadden overwonnen omdat Chemosh,
de god van het volk kwaad op zijn land was geweest. Mesha beweert
echter dat hij goed was bevonden in de ogen van Chemosh, wat hem
in staat stelde het eerst aan Israël verloren land weer terug te
winnen. Zijn opstand tegen Israël en Achab’ zoon Joram is
omschreven in de Bijbel (2 Koningen 3:5-27), maar het succes wat
hij opeist gaat tegen de bijbelverhalen in.
- Het
prisma van Sennacherib of het prisma van Taylor.
De Bijbel rapporteert dat in het veertiende jaar van koning
Hizkia (701 BC), de Assyrian koning Sennacherib (ofwel Sanherib,
705-681 BC) Judea inviel en marcheerde tegen Jeruzalem (2 Koningen
18:13) Terwijl de stad onder belegering lag, doodde de engel des
doods 185.000 van zijn mannen en Sennacherib trok zich terug naar
Assyrië (2 Koningen 19:35). Thuisgekomen
schreef hij zijn versie van de gebeurtenis op een hexagonale
cilinder, welke in 1830 door J.E. Taylor werd ontdekt bij Kuyunjik
(het oude Nineve). Sennacherib schepte op over het feit dat hij 46
ommuurde steden in Juda had veroverd. En wat Hizkia betrof schreef
hij, “ Ik sloot hem zelf als een gekooide vogel in zijn koninklijke
stad Jeruzalem op.”
Alhoewel deze
belegering van Jeruzalem een vastgesteld historisch feit is, is
het interessant op te merken dat Sennacherib’s verslag niet
vertelde hoe de belegering eindigde. Dit leidde historici tot de
conclusie dat de belegering faalde omdat de Assyriërs nooit hun
nederlagen in hun officiële verslagen vermeldden.
|