Gaius Suetonius
Tranquillus
(ca. 130 AD)
Over de Romeinse historicus Gaius Suetonius Tranquillus is niet veel meer bekend dan dat hij de hoofdsecretaris voor Keizer Hadrianus (117-138 AD) was met toegang tot de keizerlijke archieven. Suetonius maakt twee verwijzingen naar Christus en de Christenen: “Because the Jews at Dit
citaat refereert naar een opstand in de Joodse gemeenschap in Rome in
49 AD waardoor Claudius besloot de Joden uit de stad te verbannen. Dit
is waarschijnlijk wat Aquila en Priscilla was overkomen zoals genoemd
in Handelingen 18:2: “En [Paulus] vond een zekeren Jood, met name Aquila, van geboorte uit Pontus, die
onlangs van Italie gekomen was, en Priscilla, zijn vrouw, (omdat
Claudius bevolen had, dat al de Joden uit Rome vertrekken zouden), en
hij ging tot hen.” Suetonius
’ tweede verwijzing is
naar Nero’s vervolging van de Christenen: “After
the great fire at In deze twee
verwijzingen bevestigt Suetonius dat:
Thallus (ca. 52 AD) via Julius Africanus (ca. 221 AD)Een ietwat twijfelachtige verwijzing naar gebeurtenissen tijdens de kruisiging komt indirect via de (derde eeuwse) vroege kerk schrijver Julius Africanus. Hij refereert naar een verloren gegaan historisch werk uit de eerste eeuw van de Samaritaanse historicus Thallus. Julius Africanus (160-240 AD) schrijft: “On the whole world there
pressed a most fearful darkness; and the rocks were rent by an
earthquake, and many places in Blijkbaar
probeerde Thallus in 52 AD een mysterieuze duisternis (de duisternis
die vermeld staat in Matthëus 27:45 gedurende de kruisiging van Jezus?)
uit te leggen als een zonsverduistering. Julius Africanus
beargumenteert dat er in het midden van een complete maancyclus (de
Joodse maand Nisan was gebaseerd op een maancyclus, de 14de
van die maand was het pasha, het Joodse paasmaal) geen
zonsverduistering mogelijk is. Tevens verwijst hij naar de ook
verloren gegane werken van Phlegon die deze verduistering ook had
beschreven. De indirecte
verwijzing en de link naar de kruisiging maken dit citaat kwetsbaar
voor kritiek. Echter het blijft intrigerend om een verwijzing naar een
bovennatuurlijke gebeurtenis door een niet-christelijke bron te vinden.
Plinius
de Jongere (ca.
61-113 AD)
Gaius
Plinius Caecilius Secundus minor (bijgenaamd minor,
d.i. de Jongere) was de neef en (na de dood van zijn vader) ook
geadopteerde zoon van
Plinius de Oudere. Rond het jaar 110 AD wordt Plinius door zijn vriend
keizer Trajanus naar Bithynia (in wat we nu kennen als Turkije)
gestuurd om een aantal ongeregeldheden in het bestuur aldaar te
onderzoeken. Gedurende deze tijd schreef hij de keizer om advies te
vragen over hoe hij de Christenen in zijn provincie moest behandelen,
omdat hij er zoveel moest executeren. Plinius schrijft rond 112 AD (uittreksel
uit een veel langere brief): “They
[the Christians] were in the habit of meeting on a certain fixed day
before it was light, when they sang in alternate verses a hymn to
Christ, as to a god, and bound themselves by a solemn oath, not to any
wicked deeds, but never to commit any fraud, theft or adultery, never
to falsify their word, nor deny a trust when they should be called
upon to deliver it up; after which it was their custom to separate,
and then reassemble to partake of food—but food of an ordinary and
innocent kind..” [4] Uit deze brief van
Plinius volgt dat:
Keizer Trajabus
antwoordt op de brief van Plinius: “The method you have pursued, my dear Pliny , in sifting the cases of those denounced to you as Christians is extremely proper. It is not possible to lay down any general rule which can be applied as the fixed standard in all cases of this nature. No search should be made for these people; when they are denounced and found guilty they must be punished; with the restriction, however, that when the party denies himself to be a Christian, and shall give proof that he is not (that is, by adoring our Gods) he shall be pardoned on the ground of repentance, even though he may have formerly incurred suspicion. Informations without the accuser’s name subscribed must not be admitted in evidence against anyone, as it is introducing a very dangerous precedent, and by no means agreeable to the spirit of the age.” [5] De brief van
Trajanus bevat geen additionele bevestigingen van de Bijbelse teksten
of de vroege kerk, maar geeft waardevolle inzichten in de officiële
Romeinse visie over de groeiende beweging. Het toont ook dat de
vervolgingen plaatsvonden en Christenen tijdens de dagen van Trajanus
- met enige beperkte terughoudendheid – werden geëxecuteerd
voor hun geloof. De Joodse Talmoed
(ca. 70-200 AD)
De
Talmoed is een
verzameling (in eerste instantie uitsluitende mondelinge) Joodse
tradities (de Misjna) en bijbelcommentaren (de Gemara). De geschriften
van de Talmoed uit de periode 70-200 AD zijn voor de Christelijke
geschiedenis het meest interessant. Ver uit de meest significante
tekst over Jezus Christus wordt gevonden in Sanhedrin 43a: “On
the eve of the Passover
Yeshu
[Jesus] was hanged [crucified]. For forty days before the execution
took place, a herald went forth and cried, ‘He is going forth to be
stoned because he has practiced sorcery and enticed Zoals te
verwachten is dit verslag geschreven vanuit een Joods standpunt en
bevat een twijfelachtige verwijzing naar een aankondigingperiode van 40
dagen. Er is echter een solide bevestiging van het feit en de datum
van executie door “hangen”, een woord ook werd gebruikt voor
“kruisiging” (zie bijvoorbeeld vergelijkbare woorden in Galaten
3:13 en Lucas 23:39). Lucianus van Samosata
(tweede eeuw AD)
Een tweede eeuwse
Griekse satiricus, Lucianus van
Samosata schrijft een sarcastische kritiek over het Christendom: “The Christians, you
know, worship a man to this day—the distinguished personage who
introduced their novel rites, and was crucified on that account. . . .
You see, these misguided creatures start with the general conviction
that they are immortal for all time, which explains the contempt of
death and voluntary self-devotion which are so common among them; and
then it was impressed on them by their original lawgiver that they are
all brothers, from the moment that they are converted, and deny the
gods of Greece, and worship the crucified sage, and live after his
laws. All this they take quite on faith, with the result that they
despise all worldly goods alike, regarding them merely as common
property.”[7] De satire van
Lucianus toont dat:
Lees meer over: 8. Zijn de getuigen te vertrouwen? [1]
Suetonius
, Claudius,
nadruk toegevoegd, geciteerd door Gary R. Habermas
, The
Historical Jesus (1996), pagina 191. [2] Suetonius , Nero , 16, geciteerd door Gary R. Habermas , The Historical Jesus (1996), pagina 191. [3] Julius Africanus, Extant Writings, XVIII, The Ante-Nicene Fathers Volume I through X: Translations of the Writings of the Fathers Down to AD 325 (1997), Volume VI, pagina 136. [4] Pliny , Letters, vertaald door William Melmoth, herzoen door W.M.L. Hutchinson (1935), vol. II, X:96. [5]
Idem. [6]
Opmerkingen toegevoegd. Van The
Babylonian Talmud
, vertaald door I.
Epstein (1935), vol. III, Sanhedrin
43a, pagina 281, zoals geciteerd door Gary R. Habermas
, The
Historical Jesus (1996), pagina 203. [7] Lucian, The Death of Peregrine, 11–13, in The Works of Lucian of Samosata , vertaald door H.W. Fowler en F.G. Fowler (1949) volume 4 zoals geciteerd door Gary R. Habermas , The Historical Jesus (1996), pagina 206. |
||||||||
| Windmill
Ministries - Christelijke Apologetiek - Geloofsverdediging voor het Christendom Home - Sitemap - Over Ons - Steun Ons - Neem Contact Op - Copyright - Boeken - DVDs |