Toen
de documenten werden geschreven en in omloop werden gebracht waren er
toen mensen aanwezig die de accuraatheid konden bevestigen en/of
bedenkingen die ze hadden tegen eventuele fouten of fabricatie
naar voren konden brengen? Dat
is allemaal afhankelijk van datering en chronologie. Over elke
gebeurtenis uit het verleden kan men, wat men vaak noemt een
“ooggetuigenperiode” vaststellen. Dit is een tijdsperiode van
ongeveer 40 jaar (de gemiddelde levensverwachting van een volwassene
gedurende die jaren) vanaf de actuele gebeurtenis. In deze
tijdsperiode is het redelijk om aan te nemen dat er een significante
hoeveelheid getuigen nog in leven zijn om de accuraatheid of de
inaccuraatheid van de
omschreven gebeurtenissen te bevestigen.
In het geval van de evangeliën en de brieven van Paulus zou
deze periode van ongeveer 30 AD (het begin van Jezus zijn publieke
leven) tot ongeveer 70 AD (het einde van de 40 jarige periode) zijn.
Uiteraard wordt de ene mens wat ouder dan de andere mens wat betekent
dat zelfs na 70 AD sommige getuigen nog steeds in leven zullen zijn (zoals
de apostel Johannes), maar gemiddeld zal de populatie van ooggetuigen
aan het einde van de ooggetuige periode behoorlijk zijn verminderd. We
hebben al eerder de datering van alle evangeliën, Handelingen en de
brieven van Paulus besproken en geanalyseerd.[1]
Allen (behalve het Evangelie van Johannes) zijn hoogstwaarschijnlijk
in de jaren 49 tot en met 70 AD, 80 AD op zijn laatst, gedateerd.
Johannes is waarschijnlijk meer in de jaren 80-90 AD geschreven. Dit
plaatst de meeste verslagen (behalve die van Johannes) comfortabel in
de ooggetuigenperiode, waardoor verificatie door zowel vriendelijk als
onvriendelijk gezinde tijdgenoten mogelijk is geweest. Van
vriendelijke tijdgenoten (andere Christenen) zien we een positieve
bevestiging tegen het einde van de eeuw en in de vroege tweede eeuw
zien we dit van Papias, Clemens of Rome, Epistel of Barnabas, etc.[2] Van
de onvriendelijke tijdgenoten horen we niet veel in termen van het
ontzenuwen van gebeurtenissen en aanspraken. Zoals we hebben gezien
zijn er een beperkt aantal; niet-bijbelse bevestigingen, maar maken
deze ook geen tegenstrijdige aanspraken. Dit is belangrijk temeer als
we ons realiseren hoe vijandig de omgeving was waarin het Christendom
werd geboren. Men had de hele beweging vanaf het prille begin kunnen
stoppen als iemand ooit had aangetoond dat de opstanding niet had
plaatsgevonden en/of, nog beter zelfs, als men het lichaam van Jezus
had kunnen vinden. Dit is niet gebeurd, nog vinden we enig schrijven
dat hier zelfs maar naar verwijst. Indirect is dit krachtig bewijs
voor de rechtsgeldigheid van de aanspraken over de opstanding.
De evangelien en de brieven zijn geschreven tijdens de ooggetuigenperiode Lees meer over: Is Jezus God?
[2] Hoofdstuk 11, Bewijsstuk #8: Brieven van de vroege kerk leiders.
|
| Windmill
Ministries - Christelijke Apologetiek - Geloofsverdediging voor het Christendom Home - Sitemap - Over Ons - Steun Ons - Neem Contact Op - Copyright - Boeken - DVDs |