(1) We zei Jezus dat Hij was?

(2) Bewijsstuk #1: Heer, leugenaar of waanzinnige

   

3. Heer, leugenaar of waanzinnige? (1)

“Hij zeide tot hen: Maar gij, wie zegt gij, dat Ik ben? En Simon Petrus, antwoordende, zeide: Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods.”

Mattheus 16:15-16

Wie zei Jezus zelf dat Hij was?

Welke aanspraak maakte Jezus voor zichzelf? Als er al iemand zou zijn die zonder enige twijfel wist of Jezus de Zoon van God was, zou dit uiteraard Jezus zelf zijn. Vele mensen realiseren zich echter niet dat Jezus zelf in ondubbelzinnige en klare taal onderwees dat Hij (de Zoon van) God was. Jezus was hier niet onzeker of twijfelachtig over; Hij wist Zijn Goddelijke identiteit en onderwees dat voorzichtig aan Zijn volgelingen.

Jezus moest deze aanspraken voorzichtig communiceren. Mensen keken uit naar de komst van de Messias, maar zij verwachtten en verlangden naar een aardse koning, een generaal zoals koning David die hun van hun Romeinse onderdrukkers zou bevrijden. Heel weinig van hen realiseerden zich dat het Koninkrijk van God niet is gebouwd op aardse waarden en ambities. Dus moest Jezus er voor zorgdragen dat Zijn discipelen Zijn Goddelijkheid herkenden en God’s plan voor de mensheid begrepen, terwijl Hij tegelijkertijd hun verwachtingspatroon voorzichtig bijstelde.

In Matthëus 16:13-17 bevestigd Jezus duidelijk zijn identiteit. Na het oversteken van het Meer van Galilea reisden Jezus en Zijn volgelingen langs de Jordaan naar het noorden naar de bovenloop van de rivier, dichtbij Cesarea Filippi ongeveer 40 km. van het meer in een niet-joods gebied.  De teksten van de evangeliën zoemen in op de dialoog tussen Jezus en de Twaalf. Hij ondervraagt hen over wat volgens hun de menigte denkt over Zijn identiteit (Matthëus 16:13-15):

“Als nu Jezus gekomen was in de delen van Cesarea Filippi, vraagde Hij Zijn discipelen, zeggende: Wie zeggen de mensen, dat Ik, de Zoon des mensen, ben? En zij zeiden: Sommigen: Johannes de Doper; en anderen: Elias; en anderen: Jeremia of een van de profeten.

Hij zeide tot hen: Maar gij, wie zegt gij, dat Ik ben?”

Over het algemeen zagen mensen Hem als een afgevaardigde van God. Velen vonden dat Zijn associatie met Johannes de Doper Hem een uitzonderlijke profeet maakte. Elias, die als de belangrijkste profeet uit het Oude Testament wordt beschouwd, was de Messiaanse voorloper van de Oude Testament profetieën. Het zou ook begrijpelijk zijn om Jezus als een soort Jeremia, een prediker van veroordeling (vonnis) en inkeer (berouw) die alom door de leiders van zijn land wordt afgewezen, te zien. Toen Jezus de kleine groep mannen vervolgens min of meer dwong om Hem hun eigen mening te geven, antwoordde Petrus snel (Matthëus 16:16, nadruk toegevoegd):

Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods.”

Dit was de eerste keer in het Evangelie van Matthëus dat iemand Hem ondubbelzinnig als “De Christus”,  de Messias, de Gezalfde, en als “Zoon van de levende God” erkent. Let op Jezus zijn reactie waarmee Hij de uitspraak van Petrus valideert (Matthëus 16:17):

“En Jezus, antwoordende, zeide tot hem: Zalig zijt gij, Simon, Bar-Jona! want vlees en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader, Die in de hemelen is.”

Jezus wist dus weldegelijk wie Hij was. Als je de evangeliën aandachtig doorleest zal je meerdere bevestigingen van Jezus over Zijn eigen identiteit tegen komen, onder andere:

  • Jezus noemde zichzelf “Zoon des Mensen”.  Jezus refereert in de evangeliën 80 keer met deze titel naar zichzelf. “Zoon des Mensen” refereert aan Daniël’s visie “Verder zag ik in de nachtgezichten, en ziet, er kwam Een met de wolken des hemels, als eens mensen zoon [andere vertalingen gebruiken hier messtal de term “Zoon des Mensen” of in het Engels “Son of Man”] , en Hij kwam tot den Oude van dagen, en zij deden Hem voor Denzelven naderen.” (Daniël 7:13, nadruk toegevoegd).  Dit wordt algemeen beschouwd als een titel van de Messias.
  • Jezus noemde zichzelf “IK BEN”. Een andere directe aanspraak op zijn Goddelijkheid kunnen we vinden in Johannes 8:56-58 (nadruk toegevoegd). Terwijl hij tegen de Joden spreekt zegt Jezus: “Abraham, uw vader, heeft met verheuging verlangd, opdat hij Mijn dag zien zou; en hij heeft hem gezien, en is verblijd geweest…Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Eer Abraham was, BEN IK.” “IK BEN”  is afgeleidt van de Goddelijke naam Yahweh (“YHWH” in het Hebreeuws), waarmee God zichzelf bij de brandende struik aan Mozes openbaarde (Exodus 6:1-28). Het woord benadrukt een eeuwig zelfstandig bestaan. Het is duidelijk dat de Joden deze uitspraak begrepen. In vers 59 kunnen we zien hoe ze stenen opraapten en naar Hem gooiden omdat ze dit als een godslastering zagen. Jezus gebruikte het “IK BEN” zeven keer in het boek van Johannes.
  • Jezus beweerde zonden te vergeven. Uiteraard kan alleen God zonden vergeven, maar menig maal – tot grote frustratie en ergernis van zowel de Farizeeërs als de Sadduceeërs -  zei Jezus: “Je zonden zijn vergeven”,  zoals wanneer hij de verlamde genas: “En niet kunnende tot Hem genaken, overmits de schare, ontdekten zij het dak, waar Hij was; en dat opgebroken hebbende, lieten zij het beddeken neder, daar de geraakte op lag. En Jezus, hun geloof ziende, zeide tot den geraakte: Zoon, uw zonden zijn u vergeven. En sommigen van de Schriftgeleerden zaten aldaar, en overdachten in hun harten: Wat spreekt Deze aldus gods lasteringen? Wie kan de zonden vergeven, dan alleen God” (Marcus 2:4-7, nadruk toegevoegd)? Let ook op de reactie van de schriftgeleerden en hoe ze dit godlastering noemden.
  • Jezus beweerde gelijk aan God te zijn. Jezus zei: “Mijn schapen horen Mijn stem, en Ik ken dezelve, en zij volgen Mij. En Ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal dezelve uit Mijn hand rukken. Mijn Vader, die ze Mij gegeven heeft, is meerder dan allen; en niemand kan ze rukken uit de hand Mijns Vaders. Ik en de Vader zijn een. De Joden dan namen wederom stenen op, om Hem te stenigen. Jezus antwoordde hun: Ik heb u vele treffelijke werken getoond van Mijn Vader; om welk werk van die stenigt gij Mij? De Joden antwoordden Hem, zeggende: Wij stenigen U niet over enig goed werk, maar over gods lastering, en omdat Gij, een Mens zijnde, Uzelven God maakt “(Johannes 10:27-33, nadruk toegevoegd). Nogmaals, let op de reactie van de Joden. Ze wilden Jezus stenigen omdat Hij beweerde de Zoon van God te zijn.
  • Talrijke andere uitspraken in het Evangelie van Johannes. Omdat hij schreef voor Christenen, was Johannes vrijmoediger om de uitspraken van Jezus over Zijn Goddelijkheid te vermelden. Sommige voorbeelden zijn:

·         Johannes 1:1-3: “In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God. Dit was in den beginne bij God. Alle dingen zijn door Hetzelve gemaakt, en zonder Hetzelve is geen ding gemaakt, dat gemaakt is.”

·         Johannes 8:19: “Zij dan zeiden tot Hem: Waar is Uw Vader? Jezus antwoordde: Gij kent noch Mij, noch Mijn Vader; indien gij Mij kendet, zo zoudt gij ook Mijn Vader kennen.”

·         Johannes 14:6: “Jezus zeide tot hem: Ik ben de Weg, en de Waarheid, en het Leven. Niemand komt tot den Vader, dan door Mij.”

Neem ook in overweging dat Jezus nooit zijn Goddelijkheid heeft ontkent. Toen Hij door de Joodse Hoge Raad (het Sanhedrin) werd verhoord vanwege zijn claim de Zoon van God te zijn, had Hij makkelijk alle beschuldigingen kunnen ontkennen – maar Hij deed dat niet. Hij bleef stil totdat de hogepriester hem onder ede plaatste om antwoord te geven. Toen bevestigde Jezus zijn identiteit (Matthëus 26:63-66, nadruk toegevoegd):

“Doch Jezus zweeg stil. En de hogepriester, antwoordende, zeide tot Hem: Ik bezweer U bij den levenden God, dat Gij ons zegt, of Gij zijt de Christus, de Zoon van God? Jezus zeide tot hem: Gij hebt het gezegd. Doch Ik zeg ulieden: Van nu aan zult gij zien den Zoon des mensen, zittende ter rechter hand der kracht Gods, en komende op de wolken des hemels. Toen verscheurde de hogepriester zijn klederen, zeggende: Hij heeft God gelasterd, wat hebben wij nog getuigen van node? Ziet, nu hebt gij Zijn gods lastering gehoord. Wat dunkt ulieden? En zij, antwoordende, zeiden: Hij is des doods schuldig.”

De doodstraf kwam na ondervragingen en een ander verhoor – waar Jezus opnieuw de beschuldigingen, die door de Romeinse gouverneur Pilatus aan hem werden opgelegd, had kunnen ontkennen. Jezus werd toen veroordeeld tot de kruisingdood. De beschuldiging die aan het kruis hing vermeldde:

De Koning van de Joden

Lees meer over: (2) Bewijsstuk #1: Heer, leugenaar of waanzinnige

 

Windmill Ministries - Christelijke Apologetiek - Geloofsverdediging  voor het Christendom
Home - Sitemap - Over Ons - Steun Ons - Neem Contact Op - Copyright - Boeken - DVDs

Vertel een vriend over deze pagina: 

SIP's Top Christian Books Sites - Free Traffic Sharing Service! JCSM''s Top 1000 Christian Sites - Free Traffic Sharing Service! Top Christian Web Sites The Fundamental Top 500