Wie zei Jezus zelf
dat Hij was?
Welke aanspraak
maakte Jezus voor zichzelf? Als er al iemand zou zijn die zonder
enige twijfel wist of Jezus de Zoon van God was, zou dit uiteraard
Jezus zelf zijn. Vele mensen realiseren zich echter niet dat Jezus
zelf in ondubbelzinnige en klare taal onderwees dat Hij (de Zoon
van) God was. Jezus was hier niet onzeker of twijfelachtig over; Hij
wist Zijn Goddelijke identiteit en onderwees dat voorzichtig aan
Zijn volgelingen. Jezus moest deze
aanspraken voorzichtig communiceren. Mensen keken uit naar de komst
van de Messias, maar zij verwachtten en verlangden naar een aardse
koning, een generaal zoals koning David die hun van hun Romeinse
onderdrukkers zou bevrijden. Heel weinig van hen realiseerden zich
dat het Koninkrijk van God niet is gebouwd op aardse waarden en
ambities. Dus moest Jezus er voor zorgdragen dat Zijn discipelen
Zijn Goddelijkheid herkenden en God’s plan voor de mensheid
begrepen, terwijl Hij tegelijkertijd hun verwachtingspatroon
voorzichtig bijstelde. In Matthëus
16:13-17 bevestigd Jezus duidelijk zijn identiteit. Na het
oversteken van het Meer van Galilea reisden Jezus en Zijn
volgelingen langs de Jordaan naar het noorden naar de bovenloop van
de rivier, dichtbij Cesarea Filippi ongeveer 40 km. van het meer in
een niet-joods gebied. De
teksten van de evangeliën zoemen in op de dialoog tussen Jezus en
de Twaalf. Hij ondervraagt hen over wat volgens hun de menigte denkt
over Zijn identiteit (Matthëus 16:13-15): “Als nu Jezus gekomen was
in de delen van Cesarea Filippi, vraagde Hij Zijn discipelen,
zeggende: Wie zeggen de mensen, dat Ik, de Zoon des mensen, ben? En
zij zeiden: Sommigen: Johannes de Doper; en anderen: Elias; en
anderen: Jeremia of een van de profeten. Hij zeide tot hen: Maar gij,
wie zegt gij, dat Ik ben?” Over het algemeen
zagen mensen Hem als een afgevaardigde van God. Velen vonden dat
Zijn associatie met Johannes de Doper Hem een uitzonderlijke profeet
maakte. Elias, die als de belangrijkste profeet uit het Oude
Testament wordt beschouwd, was de Messiaanse voorloper van de Oude
Testament profetieën. Het zou ook begrijpelijk zijn om Jezus als
een soort Jeremia, een prediker van veroordeling (vonnis) en inkeer
(berouw) die alom door de leiders van zijn land wordt afgewezen, te
zien. Toen Jezus de kleine groep mannen vervolgens min of meer dwong
om Hem hun eigen mening te
geven, antwoordde Petrus snel (Matthëus 16:16, nadruk toegevoegd): “ Gij zijt de Christus,
de Zoon des levenden Gods.” Dit was de eerste
keer in het Evangelie van Matthëus dat iemand Hem ondubbelzinnig
als “De Christus”, de
Messias, de Gezalfde, en als “Zoon
van de levende God” erkent. Let op Jezus zijn reactie waarmee
Hij de uitspraak van Petrus valideert (Matthëus 16:17): “En Jezus, antwoordende,
zeide tot hem: Zalig zijt gij, Simon, Bar-Jona! want vlees en bloed
heeft u dat niet
geopenbaard, maar Mijn Vader, Die in de hemelen is.” Jezus wist dus
weldegelijk wie Hij was. Als je de evangeliën aandachtig doorleest
zal je meerdere bevestigingen van Jezus over Zijn eigen identiteit
tegen komen, onder andere:
·
Johannes
1:1-3: “In den beginne was
het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God. Dit was
in den beginne bij God. Alle dingen zijn door Hetzelve gemaakt, en
zonder Hetzelve is geen ding gemaakt, dat gemaakt is.” ·
Johannes
8:19: “Zij dan zeiden tot
Hem: Waar is Uw Vader? Jezus antwoordde: Gij kent noch Mij, noch
Mijn Vader; indien gij Mij kendet, zo zoudt gij ook Mijn Vader
kennen.” ·
Johannes
14:6: “Jezus zeide tot hem:
Ik ben de Weg, en de Waarheid, en het Leven. Niemand komt tot den
Vader, dan door Mij.” Neem ook in
overweging dat Jezus nooit zijn Goddelijkheid heeft ontkent. Toen
Hij door de Joodse Hoge Raad (het Sanhedrin) werd verhoord vanwege
zijn claim de Zoon van God te zijn, had Hij makkelijk alle
beschuldigingen kunnen ontkennen – maar Hij deed dat niet. Hij
bleef stil totdat de hogepriester hem onder ede plaatste om antwoord
te geven. Toen bevestigde Jezus zijn identiteit (Matthëus 26:63-66,
nadruk toegevoegd): “Doch Jezus zweeg stil.
En de hogepriester, antwoordende, zeide tot Hem: Ik bezweer U bij
den levenden God, dat Gij ons zegt, of Gij zijt de Christus, de Zoon
van God? Jezus zeide tot hem: Gij hebt het gezegd. Doch Ik
zeg ulieden: Van nu aan zult gij zien den Zoon des mensen, zittende
ter rechter hand der kracht Gods,
en komende op de wolken des hemels. Toen verscheurde de hogepriester
zijn klederen, zeggende: Hij heeft God
gelasterd, wat hebben wij nog getuigen van node? Ziet, nu hebt gij
Zijn gods lastering
gehoord. Wat dunkt ulieden? En zij, antwoordende, zeiden: Hij is des
doods schuldig.” De doodstraf kwam
na ondervragingen en een ander verhoor – waar Jezus opnieuw de
beschuldigingen, die door de Romeinse gouverneur Pilatus aan hem
werden opgelegd, had kunnen ontkennen. Jezus werd toen veroordeeld
tot de kruisingdood. De beschuldiging die aan het kruis hing
vermeldde: De Koning van de Joden Lees meer over: (2) Bewijsstuk #1: Heer, leugenaar of waanzinnige
|
||||||||||||||||||
| Windmill
Ministries - Christelijke Apologetiek - Geloofsverdediging voor het Christendom Home - Sitemap - Over Ons - Steun Ons - Neem Contact Op - Copyright - Boeken - DVDs |