Hier is een
verrassing voor vele lezers: de allereerste getuigenis in de Bijbel
over de opstanding van Jezus wordt niet in de evangeliën, maar in de
eerste brief van Paulus aan de kerk in Korinte gevonden! Een beetje
achtergrondinformatie is nodig. Het boek van Handelingen stelt ons in
staat om te bepalen wanneer Paulus de kerk in Korinte startte. Wanneer
we over de tweede missiereis van Paulus in Handelingen 18:1-4 lezen,
zien we dat: ”En na dezen
scheidde Paulus van Athene en kwam te Korinthe; En vond een zekeren
Jood, met name Aquila, van geboorte uit Pontus, die onlangs van Italie
gekomen was, en Priscilla, zijn vrouw, (omdat Claudius bevolen had,
dat al de Joden uit Rome vertrekken zouden), en hij ging tot hen; En
omdat hij van hetzelfde handwerk was, bleef hij bij hen, en wrocht;
want zij waren tentenmakers van handwerk. En hij handelde op elken
sabbat in de synagoge, en bewoog tot het geloof Joden en Grieken.” Dit houdt in dat Paulus
Korinte in het jaar 51 AD voor het eerst bezocht. Hij verbleef daar
ongeveer achttien maanden en zoals Handelingen 18:8 zegt: “en velen van de Korinthiers, hem
horende, geloofden, en werden gedoopt.” Gedurende zijn
derde missiereis verblijvende in Efeze, ongeveer 3 of 4 jaar later,
hoorde Paulus over de problemen in Korinte toen een afvaardiging van
die kerk hem tijdens een bezoek om advies vroeg. Hij schreef snel een
brief om zijn bezorgdheid te adresseren. Dit is de brief die we nu
kennen als het Nieuwe Testament boek 1 Korintiërs. Bijbelgeleerden
zijn er het bijna unaniem over eens dat Paulus de auteur was en de
brief rond het jaar 55 AD in Efeze[1]
is geschreven. Het schrijven van deze brief was ruim in de
ooggetuigenperiode, misschien slechts tweeëntwintig jaar na de
kruisiging! In 1 Korintiërs 15:1-8 lezen we: “Voorts, broeders, ik
maak u bekend het Evangelie, dat ik u verkondigd heb, hetwelk gij ook
aangenomen hebt, in hetwelk gij ook staat; Door hetwelk gij ook zalig
wordt, indien gij het behoudt op zodanige wijze, als ik het u
verkondigd heb; tenzij dan dat gij tevergeefs geloofd hebt. Want ik
heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat
Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften; En dat Hij
is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften;
En dat Hij is van Cefas [Cefas
is de Arameese naam voor Petrus en wordt in de Griekse tekst hier
gebruikt] gezien, daarna van de
twaalven. Daarna is Hij gezien van meer dan vijfhonderd broeders op
eenmaal, van welken het meren deel
nog over is, en sommigen ook zijn ontslapen. Daarna is Hij gezien van
Jakobus, daarna van al de apostelen. En ten laatste van allen is Hij
ook van mij, als van een ontijdig geborene, gezien.” In de eerste zin
van bovenstaand citaat herinnerde Paulus de Korintiërs eraan dat “voorts”
hetgene is wat hij hen tijdens zijn eerste bezoek van ongeveer drie
tot vier jaar eerder had verteld. Dat dateert deze tekst tot slechts
ongeveer achttien jaar na de opstanding. Daarom is het ouder en
dichter bij de gebeurtenissen op Golgotha dan welke andere verklaring
over de opstanding in het Nieuwe Testament dan ook. De passage (eerste gedeelte van vers 3) “Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb” is van groot belang om de oorspronkelijk bron van deze getuigenis van Paulus te achterhalen. Paulus gebruikt hierbij een traditionele introductie dat de daaropvolgende verklaring aan hem als een geloofsbelijdenis is doorgegeven. Een geloofsbelijdenis (credo) [2]komt van het Latijnse “credo” ofwel “Ik geloof”. Een credo is een belijdenis van geloof, een korte, krachtige samenvatting van een Christelijke doctrine waarvan men aanneemt dat dit in de vroege kerk als een bevestiging van geloof werd opgezegd. In deze passage noemt Paulus een totaal van zes verschijningen; sommige omschreven in de evangeliën, maar sommigen worden alleen in deze brief genoemd. Laten we er eens nader naar kijken: ·
Jezus
verscheen aan Petrus.
(of Cefas zoals de originele tekst zegt). De evangeliën bevatten geen
uitgebreide beschrijving van deze verschijning aan Petrus; alhoewel
Johannes een gesprek vermeldt tussen de opgestane Jezus en Petrus.
Lucas 24:34 (“Welke zeiden: De Heere is waarlijk opgestaan, en is van Simon gezien”)
noemt het ook vluchtig. Het gebruik van de Aramese naam Cefas is een
belangrijke indicatie dat Paulus, die in het Grieks schreef, een
geloofsbelijdenis kopieerde uit de gesproken taal van de eerste eeuw
in Israël (wat Aramees was). ·
Jezus
verscheen aan
“de twaalf”. Vers vijf zegt “daarna
van de twaalven”. De twaalf omschrijft de apostelen als een
groep en kan niet als een letterlijk aantal worden gezien omdat Judas
niet langer een onderdeel van deze groep was. Deze gebeurtenis is ook
in Lucas 24:33-49, Matthëus 28:16-20 en Johannes 20:19-23 beschreven. ·
Jezus
verschijnt aan meer dan vijfhonderd mensen tegelijkertijd. Vers
6 gaat verder: “Daarna is Hij
gezien van meer dan vijfhonderd broeders op eenmaal, van welken het
meren deel nog over
is, en sommigen ook zijn ontslapen.” Alhoewel deze verschijning
niet in de evangeliën wordt gevonden is dit het meest in het oog
springende bewijs dat door Paulus word gepresenteerd. Hij was
hoogstwaarschijnlijk niet een van deze “vijfhonderd”,
maar het is duidelijk dat hij sommige van hen kende – misschien
waren sommige wel leden van de kerk in Korinte – want hij zegt: “van
welken het meren deel
nog over is [het merendeel is dus nog in leven]”. Deze nogal
boute uitlating is een uitnodiging aan elke eerste eeuwse criticus om
een of meerdere van deze vijfhonderd over de opstanding te ondervragen. ·
Jezus
verschijnt aan Jacobus.
Deze Jacobus is zeker niet een van de apostelen omdat “de twaalf”
al eerder werden genoemd en die groep zou inclusief Jacobus de zoon
van Zebedeus (de broer van Johannes) zijn, als ook de enige andere
apostel, Jacobus de zoon van Alfeus. Daarom moet dit Jacobus, de broer
van de Heer zijn. ·
Jezus
verscheen aan alle apostelen. Omdat
Paulus “de twaalf” eerder noemde, moet dit in ruimere zin worden
gezien en is daarom inclusief anderen die een onderdeel van de totale
groep van Jezus’ volgelingen waren. We vinden deze verschijning ook
in sommige van de andere evangeliën. ·
Jezus
verscheen aan Paulus. Hier
refereert Paulus aan zijn persoonlijke ontmoeting met de opgestane
Christus toen hij, in 34 DC (zoals dit uitgebreid in Handelingen
hoofdstuk 6 wordt omschreven) dus net een jaar na de opstanding, op
weg was naar Damascus. Het is duidelijk
dat alleen Paulus een ooggetuige aan de laatste verschijning is
geweest. Hoe kreeg Paulus dan de informatie over de andere
verschijningen? Hoe heeft Paulus dit credo ontvangen? Wanneer we wat
dieper in het Nieuwe Testament graven vinden we hierover een aantal
overtuigende aanwijzingen. Hiervoor
moeten we een bezoek aan de eerder geschreven brief van Paulus –
Galaten – brengen. Net zoals met 1 Korintiërs is deze tekst door
iedereen als van Paulus afkomstig zijnde geaccepteerd.. Paulus
identificeert zichzelf als de schrijver aan het begin van de brief en
nogmaals in het laatste hoofdstuk. Wanneer we de aanwijzingen die ons
in Handelingen zijn gegeven analyseren kunnen we ontdekken dat deze
brief net na het Apostelconvent (in Jeruzalem rond 49 AD) is
geschreven en dat deze hoogstwaarschijnlijk in het daaropvolgende jaar
verscheen. Lees wat Paulus zelf over zijn geloofwaardigheid schrijft
in Galaten 1:13-19: “Want gij hebt mijn omgang gehoord, die eertijds in het Jodendom was, dat
ik uitnemend zeer de Gemeente Gods vervolgde, en dezelve verwoestte;
En dat ik in het
Jodendom toenam boven velen van mijn ouderdom in mijn geslacht, zijnde
overvloedig ijverig voor mijn vaderlijke inzettingen. Maar wanneer het
Gode behaagd heeft, Die mij van mijner moeders lijf aan afgezonderd
heeft, en geroepen door Zijn genade, Zijn Zoon in mij te openbaren,
opdat ik Denzelven door het Evangelie onder de heidenen zou
verkondigen, zo ben ik terstond niet te rade gegaan met vlees en bloed;
En ben niet wederom gegaan naar Jeruzalem, tot degenen, die voor mij
apostelen waren; maar ik ging henen naar Arabie, en keerde wederom
naar Damaskus. Daarna kwam ik na drie jaren weder te Jeruzalem om
Petrus te bezoeken, en ik bleef bij hem vijftien dagen. En zag geen
ander van de apostelen, dan Jakobus, den broeder des Heeren.”
Figuur
21-
1
: De tijdslijn van het
opstandingscredo Wat vertelt dit
ons? Kijk eens naar de tijdlijn: Jezus was gekruisigd en uit de dood
opgestaan in het jaar 33 AD; Paulus was bekeerd in het jaar 34 AD; en
hij ging voor het eerst als een Christen, drie jaar later (dus in 37
AD) naar Jeruzalem, waar hij een ontmoeting met Petrus en Jacobus had.
Hij keerde veertien jaar later voor het zogenaamde Apostelconvent (een
ontmoeting waarbij de kerk overeenkwam om ook het evangelie onder de
niet-joden te verspreiden) terug wat dus in de jaren 49-50 AD geweest
moet zijn.[3]
Wanneer we naar
Paulus’ getuigenis in 1 Korintiërs 15 terugkijken, zien we dat
Paulus ook verslag geeft over verschijningen aan Petrus en Jacobus.
Toen Paulus, drie jaar na zijn bekering, in Jeruzalem was had hij
alleen een ontmoeting met Petrus en Jacobus en daarom lijkt het niet
alleen toeval dat hij allebei deze mannen met name noemt in zijn
getuigenis over de verschijningen van Jezus. Daarnaast, zoals we dit
in Galaten 1:18 hebben gelezen, maakt Paulus het duidelijk dat hij (drie
jaar naar na zijn bekering) in het jaar 37 AD naar Jeruzalem ging om
kennis te maken met de discipelen. Het Griekse woord wat hier gebruikt
wordt is historeo, dit woord
is de basis voor ons woord “historie” (geschiedenis) en betekent
“feitelijk onderzoek” of “diepgaand onderzoek”. Paulus ging
dus niet naar Jeruzalem om gezellig wat tijd met hun door te brengen
– hij ging om met hun te kunnen praten, aantekeningen te vergelijken
en plannen te maken. We weten van het verslag over hetzelfde bezoek
uit Handelingen 9:26 dat de andere discipelen nog steeds bang waren om
Paulus te ontmoeten omdat ze niet van zijn bekering overtuigd waren.
Daarom ontmoette Paulus alleen Petrus and Jacobus. Dit maakt het
aannemelijk dat het verslag van Paulus over de verschijningen van de
opgestane Jezus, zoals deze in 1 Korintiërs 15 staat omschreven,
direct van de originele bron vandaan kwam: Petrus de apostel en
Jacobus de broer van Jezus. Nu weten we dus met zekerheid niet alleen
dat deze getuigenis minder dan 20 jaar na de kruisiging ontstond, maar
we hebben ook sterke aanwijzingen dat Paulus deze getuigenis (ook wel
een credo of geloofsbelijdenis genoemd) van de apostel Petrus en van
Jacobus de broer van Jezus
in het jaar 37 AD, dus slechts vier jaar na de opstanding[4],
heeft gekregen. Bijna zo recent als grondbrekend nieuws! Lees meer over:(8) Bewijsstuk #9: Sterven voor een leugen? [1]
Zie ook de bespreking in hoofdstuk 12, Bewijsstuk #13: Auteurschap
en datering van de brieven van Paulus. [2]
Zie ook Bewijsstuk #9: Geloofsbelijdenissen
in het Nieuwe Testament, in hoofdstuk 11. [3]
In de tijd van het Nieuwe Testament werden delen van een jaar als
een volledig jaar geteld. Dus als Paulus schrijft “drie jaren”
dan kan dat in onze telling ook net slechts rond de twee feitelijke
jaren geweest zijn. [4] Zie, naast vele andere bronnen,, Gary R. Habermas , The Historical Jesus (1996), pagina’s 152-157, Craig L. Blomberg , The Historical Reliability of the Gospel (1987), pagina’s 108-110 en Jesus Resurrection Fact or Figment, A Debate Between William Lane Craig and Gerd Ludeman (2000) over de bewijzen voor de opstanding. Deze laatste bron is met interessant omdat de atheïst Gerd Ludemann de authenticiteit en vroege datering van de geloofsbelijdening uit 1 Korintiërs 15 bevestigt.
|
| Windmill
Ministries - Christelijke Apologetiek - Geloofsverdediging voor het Christendom Home - Sitemap - Over Ons - Steun Ons - Neem Contact Op - Copyright - Boeken - DVDs |