(1) Natuurlijke selectie - survival of the fittest (2) Bewijsstuk #6: Geen mechanisme voor evolutie
(3) Een nader onderzoek van DNA (4) Bewijsstuk #7: De gevonden fossielen

5 Van bacterie tot menselijke wezens (1)

“En God schiep den mens naar Zijn beeld,

naar het beeld van God schiep Hij hem;

man en vrouw schiep Hij ze.”

Genesis 1:27  

Als we aannemen dat eenvoudige levensvormen bestaan op een levensondersteunende planeet, hoe zouden deze dan evolueren tot meer ontwikkelde levensvormen en uiteindelijk tot menselijke wezens? Dit was de focus van Darwin zijn theorie in zijn boek The Origin of Species. Hij beweerde (zoals evolutionisten nu nog steeds doen) dat met genoeg tijd,  meer ontwikkelde levensvormen zullen evolueren louter door middel van toevalligheden en natuurlijke processen.  Heeft de moderne wetenschap nu – 150 jaar later – het mechanisme ontdekt waardoor dit mogelijk is? Zijn er  fossielen gevonden die dit model ondersteunen?  Of zijn er bewijzen die naar het tegenovergestelde laten zien?

De evolutionaire studieboeken geven een aantal voorbeelden van “evolutie” binnen een bepaalde levensvorm als bewijs van hun theorie. Deze zijn o.a. de snavels van vinken, fruit vliegen en een bacterie die ongevoelig is voor antibiotica. Maar zijn dit echt voorbeelden van evolutie? Om het proces dat deze veranderingen doet plaatsvinden beter te bevatten is het noodzakelijk een verschil te maken tussen veranderingen in de karakteristieken van een en dezelfde soort levensvorm en veranderingen die noodzakelijk zijn om van de ene soort in een heel andere soort te evolueren. Deze twee soorten veranderingen, respectievelijk:

a)      natural selection  (“natuurlijke selectie” en ook wel survival of the fittest – “overleving van de sterkste”) genoemd en

b)      genetic mutations  (“genetische mutaties”)

blijken totaal verschillend te zijn.

Natuurlijke selectie oftewel survival of the fittest

De traditionele evolutietheorie – ook wel Darwinisme genoemd – beschouwt natuurlijke selectie als de drijfkracht achter het evolutieproces. Natuurlijke selectie is het fenomeen dat een individueel organisme met bevoorrechte karakteristieken meer mogelijkheden heeft om te overleven en te reproduceren dan degene die deze mogelijkheden niet bezitten. Als resultaat hiervan bestaan opvolgende generaties voornamelijk uit nazaten met deze bevoorrechte karakteristieken, zodat deze trekken steeds meer en meer zullen voorkomen. Na een aantal generaties zullen alle nazaten deze bevoorrechte karakteristieken bezitten en zullen de nazaten die deze niet hadden zijn uitgestorven. Daarom hield Darwin ervan om natuurlijke selectie ook wel “survival of the fittest” (overleving van de sterkste) te noemen.

Darwin’s onderzoek was op het fokken en/of telen gebaseerd. Hijzelf was een actieve duiventeler en had tot in detail de principes van het telen onderzocht, wat hij controlled selection (“gecontroleerde selectie”) noemde. Dit principe, in combinatie met zijn observatie van ongewone variaties in dieren en planten op de Galapagos Eilanden in Zuid Amerika (die hij zag terwijl hij reisde op de HMS Beagle rond 1830), heeft hem tot de theorie van natuurlijke selectie gebracht.

Een van de meest beroemde voorbeelden uit zijn boek The Origin of Species is bekend geworden als de Darwinvinken en in de meeste tekstboeken word dit nog steeds gebruikt. Het viel Darwin op dat de snavels van de vinken op de Galapagos eilanden langer en puntiger waren dan die van Engelse vinken. Hij concludeerde dat de langere perioden van droogte en het rotsige terrein van het eiland van dien aard waren dat alleen vinken met langere snavels konden overleven. Om zeker te zijn van voedsel moesten deze vogels dieper in de harde aarde graven dan de vinken in Engeland. Hij beredeneerde dus dat de vinken met de korte snavels op de Galapagos eilanden niet konden overleven. Na een natuurlijke selectie, die gedurende een aantal generaties zou plaatsvinden, kon alleen maar een populatie van vinken met puntigere snavels blijven bestaan.

Leidt natuurlijke selectie tot nieuwe soorten?

Er zijn vele andere voorbeelden van natuurlijke selectie. Vandaag aan de dag zijn er bijvoorbeeld wel 200 verschillende hondenrassen. Wist je dat de meeste van deze hondenrassen niet bestonden in de tijd dat Jezus leefde? Waarschijnlijk waren toen alle honden hetzelfde in grootte, haar, kleur, gedrag, enz. en zagen ze eruit zoals nu een gewone “vuilnisbakkenras” eruit ziet. Betekent dit nu dat honden zich in een periode van slechts 2.000 jaar hebben geëvolueerd tot 200 nieuwe soorten?  Als dit inderdaad het geval zou zijn, zou dit – net zoals bij de vinken van Darwin –  een overtuigend bewijs voor evolutie zijn.

Dit is echter  niet zo. Genetica (erfelijkheidsleer) heeft ons laten zien hoe natuurlijke selectie werkt. Elk organisme heeft unieke erfelijkheidsinformatie in haar DNA wat is gegroepeerd in genen en chromosomen. Deze genen zijn de eenheden van genetische informatie welke de “bouwtekening” zijn voor alle karakteristieken van het organisme. In menselijke wezens bijvoorbeeld, controleren combinaties van genen de kleur van de ogen, de kleur van het haar, de huidskleur, lengte, bloedgroep en ook aanleg voor bijvoorbeeld hoge bloeddruk en hartziekten.

Door middel van fokken en/of door natuurlijke selectie worden sommige eigenschappen geprefereerd over andere eigenschappen. Omdat deze eigenschappen worden geselecteerd door de genen, zijn deze eigenschappen in de genen van deze organismes “vastgelegd” om ze te kunnen produceren. Daarom zal het nageslacht in volgende generaties naar alle waarschijnlijkheid dezelfde ‘genen samenstelling’ hebben. Dit resulteert in een overheersing, of zelfs exclusiviteit, van deze begunstigde eigenschappen. Dus in een rasechte hond is de genetische informatie (welke is doorgegeven door de ouders)  ingesteld op de gewenste eigenschappen van het ras. De genetische informatie die niet-gewenste eigenschappen geproduceerd zou hebben is verdwenen door het selectieve fokken van de voorgaande generaties. Vandaar dat in termen van erfelijkheidsleer, echte rashonden minder genetische informatie hebben dan de ‘vuilnisbakkenras’ hond. Laat me dit illustreren.  Een rasechte Labrador zal alleen de genetische informatie bezitten die kenmerkend is voor een Labrador. Ook zo zal ook een rasechte Duitse Herder alleen maar de genetische informatie bezitten die kenmerkend is voor een Duitse Herder. Een hond uit het asiel daarentegen, die een Duitse Herder en een Labrador als ouders heeft, zal de informatie van allebei de rassen hebben. Dit dier mag misschien minder aantrekkelijk voor de eigenaren zijn, maar vanuit een genetisch standpunt gezien is het eigenlijk ‘rijker’ in (genetische) informatie dan de rashond.

Natuurlijke selectie en/of fokken leidt dus NIET tot nieuwe soorten. Het benadrukt alleen bepaalde karakteristieken die zijn geselecteerd door middel van gecontroleerd telen of fokken, of wat is ontstaan door hun natuurlijke omgeving (de Darwinvinken). Het is altijd terug te draaien. Wanneer het gecontroleerde fokken of telen stopt en de diverse soorten honden weer worden toegestaan om met elkaar te reproduceren, zal het slechts een paar generaties duren voordat de honden er weer allemaal ‘heel gemiddeld’ uitzien.

Men heeft bij de Darwinvinken (op de Galapagos eilanden) waargenomen dat de snavels niet doorgaan met groeien. Er is juist het tegenovergestelde gebeurd; gedurende regenachtige perioden blijkt de snavel korter te worden en ziet er meer uit als de ‘traditionele’ snavel van de vinken die we in Europa zien.[1]

In de woorden van Dr. Elmer Noble:[2]

Natuurlijke selectie is alleen van toepassing op biologische eigenschappen die al bestaan; het kan geen nieuwe eigenschappen toevoegen om zich aan de natuurlijke omgeving aan te passen”.

Natuurlijke selectie wordt overal om ons heen geobserveerd. Helaas wordt het vaak misbruikt als een bewijs voor evolutionaire veranderingen. De meeste evolutionaire tekstboeken beweren dat de Darwinvinken, alsmede de zwart of wit gekleurde motten, bacteriën die ongevoelig zijn voor antibiotica en insecten die weerstand bieden aan bestrijdingsmiddelen, bewijzen voor evolutie zijn. Deze zijn echter louter voorbeelden van natuurlijke selectie. Door voorkeur te geven aan bepaalde – reeds bestaande – eigenschappen, heeft het nageslacht meer kans om te overleven. Geen nieuwe karakteristieken zijn gevormd, en door de tijd heen, als de condities waardoor deze karakteristieken ontstonden verdwijnen, zullen de onderdrukte karakteristieken weer te voorschijn komen.

Om nog meer verwarring te zaaien heeft men deze variatie binnen een bepaalde (dier)soort, de naam micro-evolution gegeven. Deze naam geeft de indruk geeft dat, alhoewel op kleine schaal, permanente veranderingen plaatsvinden. Zoals eerder uitgelegd lijken deze veranderingen veelbetekenend en permanent, maar zijn dat niet. Geen nieuw genetische informatie is toegevoegd en er gebeurd zelfs het tegenovergestelde – genetische informatie gaat verloren.

Lees verder: (2) Bewijsstuk #6: Geen mechanisme voor evolutie


[1] Jonathan Wells , Icons of Evolution (2000), hoofdstuk 8

[2] Elmer Noble, Ph.D. Zoology, Glenn Nobel, Ph.D. Biology, Gerhard Schad, Ph.D. Biology, Austin MacInnes, Ph.D. Biology,  Parasitology: The Biology of Animal Parasites, 1989, pagina 516.

 
Terug naar: 4  Ontstaan van het leven
(1) Natuurlijke selectie - survival of the fittest (2) Bewijsstuk #6: Geen mechanisme voor evolutie
(3) Een nader onderzoek van DNA (4) Bewijsstuk #7: De gevonden fossielen

Spring naar: 6. Meer overtuigende bewijzen 

Windmill Ministries - Christelijke Apologetiek - Geloofsverdediging  voor het Christendom
Home - Sitemap - Over Ons - Steun Ons - Neem Contact Op - Copyright - Boeken - DVDs

Vertel een vriend over deze pagina: 

SIP's Top Christian Books Sites - Free Traffic Sharing Service! JCSM''s Top 1000 Christian Sites - Free Traffic Sharing Service! Top Christian Web Sites The Fundamental Top 500