Als we aannemen
dat eenvoudige levensvormen bestaan op een levensondersteunende
planeet, hoe zouden deze dan evolueren tot meer ontwikkelde
levensvormen en uiteindelijk tot menselijke wezens? Dit was de focus
van Darwin zijn theorie in zijn boek The
Origin of Species. Hij beweerde (zoals evolutionisten nu nog
steeds doen) dat met genoeg tijd,
meer ontwikkelde levensvormen zullen evolueren louter door
middel van toevalligheden en natuurlijke processen.
Heeft de moderne wetenschap nu – 150 jaar later – het
mechanisme ontdekt waardoor dit mogelijk is? Zijn er fossielen
gevonden die dit model ondersteunen?
Of zijn er bewijzen die naar het tegenovergestelde laten zien? De evolutionaire
studieboeken geven een aantal voorbeelden van “evolutie” binnen
een bepaalde levensvorm als bewijs van hun theorie. Deze zijn o.a. de
snavels van vinken, fruit vliegen en een bacterie die ongevoelig is
voor antibiotica. Maar zijn dit echt voorbeelden van evolutie? Om het
proces dat deze veranderingen doet plaatsvinden beter te bevatten is
het noodzakelijk een verschil te maken tussen veranderingen in de
karakteristieken van een en dezelfde soort levensvorm en veranderingen
die noodzakelijk zijn om van de ene soort in een heel andere soort te
evolueren. Deze twee soorten veranderingen, respectievelijk: a)
natural
selection (“natuurlijke selectie” en ook wel survival
of the fittest – “overleving van de sterkste”) genoemd en b) genetic mutations (“genetische mutaties”) blijken totaal
verschillend te zijn. Natuurlijke selectie oftewel survival of the fittestDe traditionele
evolutietheorie – ook wel Darwinisme genoemd – beschouwt
natuurlijke selectie als de drijfkracht achter het evolutieproces.
Natuurlijke selectie is het fenomeen dat een individueel organisme met
bevoorrechte karakteristieken meer mogelijkheden heeft om te overleven
en te reproduceren dan degene die deze mogelijkheden niet bezitten.
Als resultaat hiervan bestaan opvolgende generaties voornamelijk uit
nazaten met deze bevoorrechte karakteristieken, zodat deze trekken
steeds meer en meer zullen voorkomen. Na een aantal generaties zullen
alle nazaten deze bevoorrechte karakteristieken bezitten en zullen de
nazaten die deze niet hadden zijn uitgestorven. Daarom hield Darwin
ervan om natuurlijke selectie ook wel “survival of the fittest” (overleving
van de sterkste) te noemen. Darwin’s
onderzoek was op het fokken en/of telen gebaseerd. Hijzelf was een
actieve duiventeler en had tot in detail de principes van het telen
onderzocht, wat hij controlled
selection (“gecontroleerde selectie”) noemde. Dit principe, in
combinatie met zijn observatie van ongewone variaties in dieren en
planten op de Galapagos Eilanden in Zuid Amerika (die hij zag terwijl
hij reisde op de HMS Beagle rond 1830), heeft hem tot de theorie van
natuurlijke selectie gebracht. Een van de meest
beroemde voorbeelden uit zijn boek The
Origin of Species is bekend geworden als de Darwinvinken en in de meeste tekstboeken word dit nog steeds
gebruikt. Het viel Darwin op dat de snavels van de vinken op de
Galapagos eilanden langer en puntiger waren dan die van Engelse vinken.
Hij concludeerde dat de langere perioden van droogte en het rotsige
terrein van het eiland van dien aard waren dat alleen vinken met
langere snavels konden overleven. Om zeker te zijn van voedsel moesten
deze vogels dieper in de harde aarde graven dan de vinken in Engeland.
Hij beredeneerde dus dat de vinken met de korte snavels op de
Galapagos eilanden niet konden overleven. Na een natuurlijke selectie,
die gedurende een aantal generaties zou plaatsvinden, kon alleen maar
een populatie van vinken met puntigere snavels blijven bestaan. Leidt natuurlijke
selectie tot nieuwe soorten?
Er zijn vele
andere voorbeelden van natuurlijke selectie. Vandaag aan de dag zijn
er bijvoorbeeld wel 200 verschillende hondenrassen. Wist je dat de
meeste van deze hondenrassen niet bestonden in de tijd dat Jezus
leefde? Waarschijnlijk waren toen alle honden hetzelfde in grootte,
haar, kleur, gedrag, enz. en zagen ze eruit zoals nu een gewone
“vuilnisbakkenras” eruit ziet. Betekent dit nu dat honden zich in
een periode van slechts 2.000 jaar hebben geëvolueerd tot 200 nieuwe
soorten? Als dit inderdaad
het geval zou zijn, zou dit – net zoals bij de vinken van Darwin –
een overtuigend bewijs voor evolutie zijn. Dit is echter
niet zo. Genetica (erfelijkheidsleer) heeft ons laten zien hoe
natuurlijke selectie werkt. Elk organisme heeft unieke
erfelijkheidsinformatie in haar DNA wat is gegroepeerd in genen en
chromosomen. Deze genen zijn de eenheden van genetische informatie
welke de “bouwtekening” zijn voor alle karakteristieken van het
organisme. In menselijke wezens bijvoorbeeld, controleren combinaties
van genen de kleur van de ogen, de kleur van het haar, de huidskleur,
lengte, bloedgroep en ook aanleg voor bijvoorbeeld hoge bloeddruk en
hartziekten. Door middel van
fokken en/of door natuurlijke selectie worden sommige eigenschappen
geprefereerd over andere eigenschappen. Omdat deze eigenschappen
worden geselecteerd door de genen, zijn deze eigenschappen in de genen
van deze organismes “vastgelegd” om ze te kunnen produceren.
Daarom zal het nageslacht in volgende generaties naar alle
waarschijnlijkheid dezelfde ‘genen samenstelling’ hebben. Dit
resulteert in een overheersing, of zelfs exclusiviteit, van deze
begunstigde eigenschappen. Dus in een rasechte hond is de genetische
informatie (welke is doorgegeven door de ouders)
ingesteld op de gewenste eigenschappen van het ras. De
genetische informatie die niet-gewenste eigenschappen geproduceerd zou
hebben is verdwenen door het selectieve fokken van de voorgaande
generaties. Vandaar dat in termen van erfelijkheidsleer, echte
rashonden minder genetische informatie hebben dan de
‘vuilnisbakkenras’ hond. Laat me dit illustreren.
Een rasechte Labrador zal alleen de genetische informatie
bezitten die kenmerkend is voor een Labrador. Ook zo zal ook een
rasechte Duitse Herder alleen maar de genetische informatie bezitten
die kenmerkend is voor een Duitse Herder. Een hond uit het asiel
daarentegen, die een Duitse Herder en een Labrador als ouders heeft,
zal de informatie van allebei de rassen hebben. Dit dier mag misschien
minder aantrekkelijk voor de eigenaren zijn, maar vanuit een genetisch
standpunt gezien is het eigenlijk ‘rijker’ in (genetische)
informatie dan de rashond. Natuurlijke
selectie en/of fokken leidt dus NIET tot nieuwe soorten. Het benadrukt
alleen bepaalde karakteristieken die zijn geselecteerd door middel van
gecontroleerd telen of fokken, of wat is ontstaan door hun natuurlijke
omgeving (de Darwinvinken). Het is altijd terug te draaien. Wanneer
het gecontroleerde fokken of telen stopt en de diverse soorten honden
weer worden toegestaan om met elkaar te reproduceren, zal het slechts
een paar generaties duren voordat de honden er weer allemaal ‘heel
gemiddeld’ uitzien. Men heeft bij de Darwinvinken
(op de Galapagos eilanden) waargenomen dat de snavels niet doorgaan
met groeien. Er is juist het tegenovergestelde gebeurd; gedurende
regenachtige perioden blijkt de snavel korter te worden en ziet er
meer uit als de ‘traditionele’ snavel van de vinken die we in
Europa zien.[1] In de woorden van
Dr. Elmer Noble:[2] “Natuurlijke
selectie is alleen van toepassing op biologische eigenschappen die al
bestaan; het kan geen nieuwe eigenschappen toevoegen om zich aan de
natuurlijke omgeving aan te passen”. Natuurlijke
selectie wordt overal om ons heen geobserveerd. Helaas wordt het vaak
misbruikt als een bewijs voor evolutionaire veranderingen. De meeste
evolutionaire tekstboeken beweren dat de Darwinvinken,
alsmede de zwart of wit gekleurde motten, bacteriën die ongevoelig
zijn voor antibiotica en insecten die weerstand bieden aan
bestrijdingsmiddelen, bewijzen voor evolutie zijn. Deze zijn echter
louter voorbeelden van natuurlijke selectie. Door voorkeur te geven
aan bepaalde – reeds bestaande – eigenschappen, heeft het
nageslacht meer kans om te overleven. Geen nieuwe karakteristieken
zijn gevormd, en door de tijd heen, als de condities waardoor deze
karakteristieken ontstonden verdwijnen, zullen de onderdrukte
karakteristieken weer te voorschijn komen. Om nog meer
verwarring te zaaien heeft men deze variatie binnen een bepaalde (dier)soort,
de naam micro-evolution
gegeven. Deze naam geeft de indruk geeft dat, alhoewel op kleine
schaal, permanente veranderingen plaatsvinden. Zoals eerder uitgelegd lijken
deze veranderingen veelbetekenend en permanent, maar zijn dat niet.
Geen nieuw genetische informatie is toegevoegd en er gebeurd zelfs het
tegenovergestelde – genetische informatie gaat verloren. Lees verder: (2) Bewijsstuk #6: Geen mechanisme voor evolutie [1] Jonathan Wells , Icons of Evolution (2000), hoofdstuk 8 [2] Elmer Noble, Ph.D. Zoology, Glenn Nobel, Ph.D. Biology, Gerhard Schad, Ph.D. Biology, Austin MacInnes, Ph.D. Biology, Parasitology: The Biology of Animal Parasites, 1989, pagina 516.
|
||||||||||
| Windmill
Ministries - Christelijke Apologetiek - Geloofsverdediging voor het Christendom Home - Sitemap - Over Ons - Steun Ons - Neem Contact Op - Copyright - Boeken - DVDs |