Alle mensen zijn
geboren met een concept van morele waarden – juist en onjuist,
goed en slecht. Dieren hebben deze perceptie niet; ze hebben geen
concept van goede en slechte keuzes en zijn daarom amoreel. Dieren
worden alleen maar gedreven door instincten zoals eten, spelen en
comfort. Dit concept van moraliteit zorgt ervoor dat mensen
verschillen van elk ander schepsel op aarde. We weten allemaal
van binnen wat “het juiste is om te doen”. En we zijn het er
allemaal mee eens: Een seriemoordenaar is een slechte man en moeder
Theresa was een goede vrouw. Waarom is dat? Als
de evolutietheorie waar is, hoe kan het de menselijke concepten van
moraliteit uitleggen? Als mensen niet meer dan een kosmisch
“ongeluk” zijn, een
toevalstreffer van tijd en kans, waarom hebben personen dan deze
morele waarden? Eenvoudig gezegd; hoe kan een onafzienbare
hoeveelheid amorele organische componenten resulteren in menselijke
wezens met morele waarden? Als wij zijn geëvolueerd van een amorele
voorvader hoe kan het dan zijn dat we deze morele waarden bezitten? Een zelfde
beredenering is door C.S. Lewis ontwikkeld.[1]
Hij stelde het concept van moraliteit ter discussie. Dat is
gewoonweg niet mogelijk of logisch. De kern van zijn redenering
bestaat uit deze volgende argumentatie: 1.
Morele
wetten geven de indruk van een Morele Wet Gever. 2.
Er is een
objectieve morele wet. 3.
En daarom
moet er dus een Morele Wet Gever zijn. De eerste stelling
is vanzelfsprekend. Morele wetten verschillen van natuurlijke wetten.
Morele wetten omschrijven niet
wat er is, ze schrijven
voor hoe het moet zijn. We kunnen ze niet leren door te
observeren wat mensen doen. Ze zijn wat alle mensen zouden moeten
doen, ongeacht of ze het ook inderdaad doen of niet. Het meeste gewicht van het argument rust op de tweede stelling – het bestaan van een objectieve morele wet. Het betekent dat een morele wet niet alleen maar is voorgeschreven door ons, maar zelfs ook voor ons. Mensen schrijven passend gedrag voor aan andere mensen. De vraag is of er bewijs is voor een universeel, objectief voorschrift dat voor alle mensen van toepassing is. Het bewijs voor zo’n wet is sterk. Het is geďmpliceerd in ons oordeel dat “ de wereld steeds beter (of slechter) wordt”. Hoe kunnen we dat weten als er niet een of andere maatstaf buiten de wereld is waarmee we onze vooruitgang (of achteruitgang) kunnen meten? Uitspraken zoals “Hitler was verkeerd” is slechts onze subjectieve mening, en laat het besluit of Hitler zijn beslissingen goed of verkeerd waren afhangen van de culturele normen. Als hij echter objectief verkeerd was, dan is er een morele wet die boven ons uit torend en waaraan we zijn gebonden. En als er zo’n universele wet is dan moet er een universele Morele Wet Gever (God) zijn.[2] Ga verder met (7) Bewijsstuk #14: The bewijs van de stilte
[1] C.S. Lewis, Mere Christianity (1952), pagina 15-39. [2] Norman L. Geisler, Baker Encyclopedia of Christian Apologetics (1999), pagina 278.
|
| Windmill
Ministries - Christelijke Apologetiek - Geloofsverdediging voor het Christendom Home - Sitemap - Over Ons - Steun Ons - Neem Contact Op - Copyright - Boeken - DVDs |