Originele tekst
tegenover vertalingen
Later zullen we
overtuigende bewijzen bespreken waarmee we het zorgvuldig bewaren van
de originele Bijbelteksten kunnen aantonen, alsmede de historische
betrouwbaarheid van de boeken en de goddelijke inspiratie van het de
Heilige Schrift, maar dat zal alleen met de originele Bijbelteksten in
verband worden gebracht. Er zijn de
afgelopen jaren vele vertalingen gemaakt. Gedurende de eerste dagen
van het Christendom werd het Hebreeuwse Oude Testament gewoonlijk in
een Griekse vertaling gelezen. Naarmate de kerk groeide, nam ook de
noodzaak voor vertalingen toe, wat de Heilige Schrift in de meeste
gebruikte talen maar ook in lokale dialecten deed verschijnen. Al snel
werd de Bijbel vertaald in het Latijns (de taal van het Romeinse Rijk),
Syrisch (Een oosterse Aramese taal), Koptisch (geschreven Egyptisch)
en Arabisch. Sommigen schatten dat al rond het jaar 500 AD de
Bijbelteksten in meer dan 500 talen konden worden gelezen. Helaas
waren vertalingen niet altijd zorgvuldig en werden er fouten gemaakt.
Om deze reden – en ook omdat men niet wilde dat ‘gewone’ mensen
de Bijbel konden lezen – verbood de (Rooms) Katholieke Kerk
verdergaande vertalingen en werd alleen een speciale Latijnse tekst,
de Vulgaat gebruikt welke
vanuit het Grieks rond het jaar 600 AD was vertaald. Rond het jaar
1380 werden de eerste Engelse vertalingen door John Wycliffe gemaakt.
In het jaar 1455 werd de drukpers uitgevonden (Gutenburg) en de
mogelijkheid voor massaproduktie zorgde ervoor dat meer Engelse
versies en vertalingen in andere talen sneller voorhanden waren. In de loop van de
jaren zijn er honderden vertalingen (men schat op ongeveer 450) in het
Engels gemaakt. De meest bekende zijn: De King James (KJV 1611), de
New International Version (NIV 1978), de New King James (NKJV 1982),
de New American Standard Bible (NASB 1971) en de English Standard
Version (ESV 2001). De Delftse
Bijbel wordt in het algemeen beschouwd als de eerste gedrukte
Nederlandstalige Bijbel, hoewel het uitsluitend het Oude Testament (zonder
de psalmen) omvat. De vertaling stamt uit omstreeks 1360. De Delftse
Bijbel werd in 1477 gedrukt. De eerste volledige Nederlandstalige
Bijbel is de vertaling van Jacob van Liesvelt uit 1526. Deze vertaling
gebuikte de Latijnse Vulgaat als basis voor het Oude Testament en
Martin Luther’s Duitse tekst als basis voor het Nieuwe Testament. De Statenvertaling
van 1637 is nog steeds de meest gebruikte vertaling in de meer
conservatieve Protestantse gemeenten.
De naam Statenvertaling is ingeburgerd omdat de opdracht tot
deze vertaling indertijd door de Staten-Generaal werd gegeven. De
tekst werd rechtstreeks uit de brontalen – Hebreeuws voor het Oude
Testament en Grieks voor het Nieuwe Testament – gemaakt. Veel
Protestantse groepen gebruiken de Nederlands Bijbelgenootschap vertaling (de NBG-vertaling) van 1951.
Deze tekst is een iets moderne variant van de Statenvertaling. De Goed
Nieuws Bijbel (1983, herzien in 1996) en Het
Boek (1992) zijn vrij losse vertalingen van de Bijbel. In deze
vertalingen staat de leesbaarheid voorop, waardoor de nauwkeurig van
de vertaling soms wordt compromitteerd. De Nieuwe
Bijbelvertaling (NBV, 2004) tenslotte is een oecumenische (de
Rooms Katholieke kerk en Protestante groepen) vertaling vanuit de
grondtalen. Men heeft geprobeerd enerzijds trouw te zijn aan de
oorspronkelijke tekst, anderzijds alleen in het Nederlands
gebruikelijke woorden en zinsconstructies te gebruiken. Dit heeft tot
nogal wat discussies geleid en veel kerken en groepen hebben besloten
deze vertaling niet te gebruiken. Bijbelvertalingen
worden meestal gegroepeerd in drie hoofdcategorieën: Letterlijke vertalingen: Hierin
wordt de originele tekst woord voor woord vertaald in de meest
gelijkwaardige woorden. Naar deze vertaling wordt soms ook verwezen
als de interlineaire vertaling
waarin de vertaalde woorden naast het originele Hebreeuws en Grieks
wordt gezet. Alhoewel deze zonder enige twijfel de meest accurate
vertalingen zijn, zijn ze moeilijk te lezen omdat de volgorde van de
taal het originele Hebreeuws en Grieks volgt, wat totaal anders is dan
een moderne westerse taal. De NASB
en de ESV zijn goede
voorbeelden van letterlijke vertalingen. Een goede Nederlandstalige
Bijbel in deze categorie lijkt momenteel te ontbreken. Functioneel gelijkwaardige
vertalingen: Deze
vertalingen doen een poging om zo letterlijk mogelijk te zijn, maar
hervormen de zinnen en grammatica van de originele talen in de
doeltaal. Ze doen een poging om de gedachte en de intentie van wat de
schrijver wilde zeggen te bemachtigen. Als resultaat daarvan zijn ze
makkelijker in de doeltaal te lezen maar hebben een hogere graad van
subjectieve uitleg dan de letterlijke vertalingen. Deze vertalingen
zijn inclusief KJV, NKJV, en
NIV. De Nederlandse Statenvertaling en NBG-vertaling vallen ook in
deze categorie. Hedendaagse taal
vertalingen: Deze
vertalingen verwoorden de gedachten en de intenties van de originele
teksten naar een hedendaagse versie van de doeltaal. Het resultaat is
makkelijk te lezen, maar de tekst is voor een groot gedeelte een
subjectieve interpretatie en verwoording van de vertaler. Deze versies,
zoals de welbekende The Message en de New Living Translation, en de Nederlandse Goed Nieuws Bijbel en Het Boek,
moeten we met grote voorzichtigheid benaderen. Gebruik ze
bijvoorbeeld als aanvullend leesmateriaal, maar wees ervan bewust dat
deze teksten behoorlijk kunnen afwijken van de originele Bijbelteksten. Elke vertaling is
gekoppeld aan subjectieve interpretatie. Waarom? Talen vertalen niet
woord voor woord. Dat wil zeggen dat niet elk woord precies hetzelfde
woord in een andere taal heeft. Ook zijn sommige spreektalen rijker in
hun uitdrukking dan de doeltaal (zoals het Grieks) of kleiner in hun
woordenschat (zoals het Hebreeuws). Een vertaler moet de originele
opvatting begrijpen en een gelijkwaardige verwoording vinden en dit
maakt het resultaat afhankelijk van het vooroordeel van de vertaler.
Het komt uiteindelijk hierop neer: Vertalingen kunnen onderling
verschillen en fouten kunnen ontstaan. Wanneer vertalingen grote
verschillen tonen zal onderzoek in de originele talen noodzakelijk
zijn om de juiste betekenis te kunnen vinden. Om de dingen nog
wat ingewikkelder te maken worden een beperkt aantal verzen in het
Nieuwe Testament niet door alle oude, nog bestaande documenten
ondersteund: dit dwingt vertalers ertoe om te besluiten welke verzen
ze zullen opnemen. De meeste vertalers zijn voorzichtig om fouten te
begaan en zullen over elk vers dat niet is ondersteund door de
overgrote meerderheid van de manuscripten een opmerking voor de lezer
toevoegen. Ter illustratie
vergelijken we onderstaand (zie tabel 8-1) de vertaling van het
“Onze Vader” uit het boek van Mattheus 6:9-13 uit de New
International Version (NIV) met de King James Version (KJV). Afgezien
van “oud” Engels tegenover een meer moderne Engelse stijl, zien we
twee verschillen in het laatste vers:
Tabel
8-
1
: Het "Onze
Vader" in twee Bijbelvertalingen “The evil one”
tegenover “evil”. De
KJV vraagt voor verlossing van “evil” (kwaad in het algemeen),
terwijl volgens NIV vraagt om ons te verlossen van “the evil one”
(de kwaadaardige ofwel de Duivel). Er is een behoorlijk verschil
tussen de twee. De originele Griekse tekst gebruikt een bijvoeglijk
naamwoord, wat “de boosaardige” de enige juiste vertaling maakt.
We bidden om te worden verlost van de boosaardige, niet van gevaar,
rampen of het algemene kwaad in de wereld.[1] Een
extra zin. In
vergelijking met de NIV heeft de KJV een extra zin aan het einde: “Voor
U is het koninkrijk, de kracht en de heerlijkheid tot
in alle eeuwigheid, Amen.” Dit is een goede illustratie
van een latere toevoeging aan de oudst bewaard gebleven Griekse
geschriften. Zoals de NIV opmerkt in een voetnoot: “In
sommige latere documenten: voor U is het koninkrijk, de kracht en de
heerlijk tot in alle
eeuwigheid, Amen”. Andere verzen in het Nieuwe Testament hebben
gelijke toevoegingen. Geen van deze toevoegingen hebben enige
ingrijpende theologische gevolgen, maar het is belangrijk om van deze
verschillen op de hoogste te zijn. Bijbelgeleerden en de
Heilige Schrift
Voordat we in de
bewijsstukken duiken is dit een goed moment om even stil te staan over
hoe bijbelgeleerden in de afgelopen paar eeuwen (en zeker vandaag de
dag) de Heilige Schrift benaderden en benaderen. Een groot aantal
van de erkende Bijbelgeleerden zijn geen (hoe verrassend dat ook mag
zijn) gelovige Christenen. Velen nemen aan dat de bovennatuurlijke
gebeurtenissen die in de Bijbel worden genoemd niet waar kunnen zijn
en daarom deze documenten niet betrouwbaar kunnen zijn. Dit heeft niet
alleen betrekking op profetieën (voorspellingen) maar ook op de
wonderen en met name de verrijzenis van Jezus. De algemene benadering
van deze kritische bijbelgeleerden is om te verklaren dat wonderen
slechts legenden zijn en dat het schrijven van een profetie pas na
de gebeurtenis zelf kan worden gedateerd. De onderliggende gedachte is
dat “elk Bijbelverhaal/Bijbelboek
onwaar is, tenzij het tegenovergestelde opnieuw en opnieuw kan worden
bewezen”. Net zoals
evolutionaire wetenschappers het bewijs voor een Schepper afwijzen, zo
wijzen ook niet-gelovige, vrijdenkende bijbelgeleerden de bewijzen
voor bovennatuurlijke gebeurtenissen en profetieën af.
Daarom zal niemand er niet verbaasd over zijn dat een groot
aantal van de bijbelgeleerden het auteurschap en de datum van
compositie van de Pentateuch (de eerste vijf boeken van de Bijbel),
alsmede de boeken van Jozua, Jesaja en Daniel uit het Oude Testament
verwerpen. Deze boeken bevatten belangrijke openbaringen (Pentateuch
en Jozua) en profetieën (Jesaja en Daniel) en daarom zullen we de
bewijzen voor hun geschiedkundige betrouwbaarheid in de volgende
hoofdstukken bespreken. De niet-gelovige
wereldbeschouwing over het Nieuwe Testament drijft vele
bijbelgeleerden ertoe om te beweren dat:
De meeste moderne
geleerden, die zich op het Nieuwe Testament richten, volgen de
zogenaamde “derde speurtocht
naar de historische Jezus”[2] en benadrukken het verankeren van Jezus
tegen de achtergrond van Zijn eigen tijd en speciaal met betrekking
tot de Joodse achtergrond en inhoud voor Zijn leven en leerstellingen.
Deze derde speurtocht, die door niet-gelovende bijbelgeleerden wordt
gevoed is eigenlijk een hele positieve ontwikkeling. Veel van de
teksten uit het evangelie worden nu als ‘historisch
betrouwbaar’ verklaard doordat ze in overeenstemming zijn met
wat we nu (via andere bronnen) weten over Palestina in de eerste eeuw.
Maar toch worden de paragrafen over bovennatuurlijke gebeurtenissen (zoals
het lopen op water en het kalmeren van een storm), de verklaringen
over de Goddelijkheid van Jezus en Zijn verrijzenis, nog steeds
afgedaan als legenden en worden deze onbetrouwbaar genoemd. Een andere extreme
groep van bijbelgeleerden hebben zich verenigd in het Jesus Seminar onder de leiderschap van ultra-radicale
bijbelgeleerden zoals John Dominic Crossan en Marcus Borg. Ik noem
deze namen omdat ze vaak verschijnen in documentaires die door
Discovery Channel, de History Channel enz. worden uitgezonden, waarin
ze hun opinie afschilderen als de “meerderheidsopinie” (over de
Heilige Schrift). Wees ervan bewust dat deze groep helemaal geen
meerderheid van de wetenschap representeert. Van de 74 leden, hebben
slechts 14 een wetenschappelijke Nieuw Testament reputatie; de rest
zijn alleen maar leerlingen van de 14 wetenschappers. De enige reden
waarom het Jesus Seminar genoemd moet worden is omdat het serieuze
media attentie krijgt. Daardoor wordt de indruk gewekt dat ze de
meerderheid van de wetenschap representeren. Nog niet zo lang geleden
publiceerde het Jesus Seminar The Five Gospels[3] (de vijf evangelien). Hierin worden de vier
evangeliën uit het Nieuwe Testament tesamen met het zogenaamde vijfde
evangelie (het Evangelie van Thomas) besproken[4].
Dit laatste “evangelie” wordt door een meerderheid van de
bijbelwetenschappers afgewezen als een niet betrouwbare vertaling (we
zullen later het evangelie van Thomas uitgebreider behandelen). Het
Jesus Seminar heeft – door een stemsysteem te gebruiken – alle
uitspraken van Jezus in deze “vijf evangeliën” met een kleur
gemarkeerd welke een indicatie geeft of deze uitspraak inderdaad door
Jezus is gedaan; rood was ‘met zekerheid’, rose was ‘waarschijnlijk’,
grijs was ‘misschien’ en zwart was ‘zeer zeker niet’.
Het resultaat was dramatisch: slechts 15 van Jezus’ uitspraken in de
evangeliën waren roodgekleurd en 82% werd helemaal afgewezen.
Nogmaals, dit is slechts de opinie van deze kleine groep van
liberale bijbelgeleerden. Een groep van evangelische bijbelgeleerden
heeft naar aanleiding van “de
vijf evangeliën” een weerwoord geschreven met als titel “Jezus
under Fire”[5]
– een voortreffelijk
repliek voor de aantijgingen van het Jesus Seminar.
De onlangs
uitgebrachte bestseller en 2006 film The
DaVinci Code heeft een nieuwe golf van aanvallen op de
geloofwaardigheid van het Nieuwe Testament tot gevolg gehad. De
boulevardbladachtige beweringen in het verhaal over Jezus en Maria
Magdalena zijn gebaseerd op een extreme uitleg van twijfelachtige
Gnostische documenten die gevonden zijn in Nag Hammadi in Egypte in
1945. De beweringen in de DaVinci
Code zijn door meerdere Christelijke bijbelgeleerden ontzenuwd in
diverse publicaties.[6] De Nag Hammadi
bibliotheek heeft geleid tot een beweging die sommigen ook wel De
Nieuwe School noemen. Deze beweging bevat niet-christelijke
schrijvers zoals Elaine Pagels en Bart Ehrman. Deze Nieuwe School
behandelt de nieuw ontdekte “evangelien” met dezelfde autoriteit
– of zelfs meer – als de Nieuwe Testament evangeliën en
brieven, alhoewel men kan aantonen dat deze documenten veel later zijn
geschreven en niet geloofwaardig zijn vanwege de gnostische, niet
Christelijke invloeden.[7]
Meer over de Nag Hammadi bibliotheek en over sommige van hun
ontdekkingen zal ter discussie worden gesteld in een later hoofdstuk.[8] Het analyseren van de
bewijzen voor de Bijbel
Hoe kunnen we
weten dat de verhalen die we in de Bijbel lezen geen legenden, maar
echte historische feiten zijn? En is er een manier waarop we kunnen
weten dat de Bijbel niet alleen feitelijk accuraat, maar ook God’s
Woord is dat wordt geopenbaard aan de mensheid? Om de historische
betrouwbaarheid en de Goddelijke inspiratie van de Bijbel te kunnen
onderzoeken, zullen we de onderstaande onderwerpen en de daarbij
verstrekte bewijsstukken in achtereenvolgende hoofdstukken bespreken: De
tekst van het Oude Testament:
Hoe zijn de teksten overgedragen? Waarom zijn de Dode Zeerollen, de
Septuagint en de lijst van canonieke boeken van het Oude Testament zo
belangrijk? Auteurschap
en datering van het Oude Testament: Wie
schreef de boeken van het Oude Testament en wanneer was dit
bewerkstelligd? De
teksten van het Nieuwe Testament:
Wat kunnen we leren van de oudst bewaard gebleven geschriften, de
brieven van de kerkvaders en de lijst van canonieke boeken van het
Nieuwe Testament? Auteurschap
en datering van het Nieuwe Testament: Wie
schreven de boeken van het Nieuwe Testament en wanneer was dat
compleet? De
verloren boeken van het Nieuwe Testament: Wat
zijn deze boeken? Waar werden ze gevonden en door wie? Waren ze echt
verloren? De
historische betrouwbaarheid van de Bijbel: Bevestigen
archeologische en geschiedkundige analyses de Bijbelse boeken, of
wijzen deze ze af? De
getuigenissen van niet-christelijke schrijvers:
Zijn er in de eerste en tweede eeuw niet-christelijke bronnen die
Jezus en het Christendom noemen? En als dat zo is, bevestigen deze
bronnen de boeken van het Nieuwe Testament? Kunnen
we de getuigen vertrouwen?:
Wanneer we uitgaan van objectieve criteria voor geloofwaardigheid en
eerlijkheid, geeft dan een gedetailleerde analyse van de vier evangeliën,
het boek van Handelingen en de brieven van Paulus ons meer inzicht
over de waarheid van deze geschriften?
Lees meer over: 2. Tekst en auteurschap van het Oude Testament [1] William D. Mounce, Basics of Biblical Greek, (1999), hoofdstuk 9. [2] William L. Craig, Jesus under Fire (1995) hoofdstuk 1; Gary R. Habermas ,, The Historical Jesus (1996), hoofdstuk 1. [3] The Five Gospels: What did Jesus Really Say? The Search for the Authentic Words of Jesus (1993), Robert Funk en het Jesus Seminar . [4]
Zie hoofdstuk 7, Bewijsstuk #14: De
verloren boeken waren nooit verloren. [5] Michael Wilkins, J.P. Moreland: Jesus Under Fire, Modern Scholarship Reinvents the Historical Jesus (1995). [6] Onder andere: Carl Olson, Sandra Miesel: The DaVinci Hoax (2004); Erwin Lutzer, The DaVinci Deception (2004). [7] Onder andere: Dr. Darrel L Bock, The Missing Gospels (2006). [8] Zie hoofdstuk 7, Bewijsstuk #14: De verloren boeken waren nooit verloren. |
|||||||||||||||||||||||||||||
| Windmill
Ministries - Christelijke Apologetiek - Geloofsverdediging voor het Christendom Home - Sitemap - Over Ons - Steun Ons - Neem Contact Op - Copyright - Boeken - DVDs |