De originele
geschriften van alle 39 boeken van het Oude Testament zijn al heel
lang geleden verloren gegaan. Dit creëert een ernstig probleem:
Kunnen we dan, zonder originele documenten, zelfs geen kleine
fragmenten, de teksten van het Oude Testament reconstrueren van de
oudste, nog bestaande, geschriften?
Kunnen we vertrouwen hebben dat door de tijd heen en ondanks
talrijke kopieën , de originele teksten niet zijn gewijzigd en/of
misschien zelfs gedeeltelijk verloren zijn gegaan? Zeer uitgebreid
onderzoek en een nauwkeurige analyse van vele oude geschriften hebben
wetenschappers veel geleerd over de betrouwbaarheid van het kopiëren. Papyrus, perkament en
perkamentrollen
De
vergankelijkheid van het schrijfmateriaal is de reden waarom de
originele manuscripten (wat
letterlijk “handgeschreven kopie” betekent) niet bewaard zijn
gebleven. Het meest voorkomende schrijfmateriaal was Papyrus,
een papiersoort wat van Papyrus riet werd gemaakt. In een droog
klimaat blijft Papyrus lang in een goede staat, maar in vochtigere
klimaten vergaat het materiaal snel en is na een aantal eeuwen
verloren. In de tijd van
Jezus was perkament, een schrijfmateriaal wat van dierenhuid werd
gemaakt, meer gangbaar geworden. Het perkament werd uitgerekt,
afgeschraapt en gedroogd. Net zoals papyrus was het kwetsbaar voor
vochtigheid, maar het was een duurzamer alternatief. Kalfsperkament
werd gemaakt van kalverenhuid en rond de vijfde eeuw was verreweg
papyrus overal vervangen door perkament. Zowel papyrus als
perkament werden beiden als lange vellen gebruikt. Deze werden om een
stok gewonden en vormden
zodoende een perkamentrol.
De gemiddelde lengte van de rollen varieerde tussen de 7 en In de tweede eeuw
werden rollen vervangen door zogenaamde codices. Om het lezen gemakkelijker en de rol minder omvangrijk te maken
werden de papyrus/perkament vellen aan beide kanten beschreven, daarna
samengesteld in een bladvorm waardoor een primitief boek (een codex)
werd gevormd. De introductie van papier in de laatste helft van de
Middeleeuwen zorgde ervoor dat men wijd en zijd het perkament achter
zich liet.[1] Hoe nauwkeurig was
het kopieerproces?
Om de integriteit
van het Oude Testament te bewaren moesten de teksten door de eeuwen
heen telkens op nieuwe rollen worden gekopieerd. Deze taak werd
toebedeeld aan vrome Joden die bekend stonden als schriftgeleerden.
Een schriftgeleerde werd in de oudheid als een vakkundig persoon
beschouwd. Door het ontbreken van de mogelijkheid tot afdrukken (zoals
we dat vandaag kennen), werden mensen opgeleid om documenten te kopiëren.
Schriftgeleerden geloofden dat deze rollen de woorden van God zelf
waren en waren daarom uitermate eerbiedig en voorzichtig met het kopiëren
van deze rollen. Ze waren niet haastig of snel in hun werk. Ze werden,
zich opwerkend vanaf een leerling, vele jaren voor deze taak opgeleid.
Hun schoonschrijfkunst werd minutieus op fouten
gecontroleerd en nog een keer gecontroleerd. Zelfs hele kleine
foutjes had afkeuring van hun werk tot gevolg. Van generatie tot
generatie werd een reeks van priesters en schriftgeleerden opgedragen
de Bijbelse teksten te preserveren. Gedurende de vroege Middeleeuwen
werden de schriftgeleerden die de Hebreeuwse Bijbel kopieerden Masoreten genoemd. De
Masoreten waren verantwoordelijk voor het behouden van de Heilige Oude
Testament teksten gedurende de periode van 500 AD tot 950 AD. Deze
Joden waren minutieus in hun kopieerwerk. De oudste complete kopie van
het Hebreeuwse Oude Testament dateert van deze periode en wordt de Masoretische
Tekst genoemd. Wanneer de
Masoreten bijvoorbeeld het boek van Jesaja kopieerden en het werk was
compleet, dan telden ze het aantal cijfers of letters van de kopie op
en vergeleken dat met de cijfers of letters van het originele werk.
Daarna werd de middelste letter in het boek opgezocht en ook dat werd
met het origineel vergeleken. Wanneer variaties werden gevonden werd
de kopie vernietigd en begon het kopiëren helemaal opnieuw. Tot aan deze tijd
had het geschreven Hebreeuws slecht 22 medeklinkers en geen klinkers.
De teksten waren allemaal in hoofdletters, medeklinkers, hadden geen
interpuncties en geen paragrafen. Klinkers werden er alleen
stilzwijgend inbegrepen. De Masoreten hebben het Hebreeuwse
klinkersysteem uitgedacht. Door dit toe te passen op de originele Oude
Testament teksten gaf dat elk woord zijn precieze uitspraak en goede
taalkundige vorm. Alle huidige kopieën van de Hebreeuwse teksten van deze periode zijn opmerkelijk hetzelfde. Vergelijking van de Masoretische tekst met de vroegere Latijnse teksten (Vulgaat) en de Griekse teksten (Septuagint) heeft heel nauwkeurig kopiëren laten zien. Het bewijs suggereert weinig afwijkingen gedurende de duizenden jaren voorafgaand aan 900 AD. Tot voor kort was er karig materiaal uit de Hebreeuwse oudheid beschikbaar wat te vergelijken was met de Masoretische teksten van de tiende eeuw. Dit gebrek aan oudere Hebreeuwse teksten bleef hardnekkig het vertrouwen in de nauwgezetheid van het kopieerproces ter discussie stellen totdat in 1947 de Dode Zeerollen werden gevonden. Lees meer over:(2) Bewijststuk #1: De Dode Zeerollen [1] Voor een uitgebreid overzicht: Josh McDowell , The New Evidence that Demands a Verdict (1999), hoofdstuk 2.
|
||||||||||||||||
| Windmill
Ministries - Christelijke Apologetiek - Geloofsverdediging voor het Christendom Home - Sitemap - Over Ons - Steun Ons - Neem Contact Op - Copyright - Boeken - DVDs |